Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

23 Mei. Artikel 37. Het ontwerp droeg het toezicht over de jacht en de visscherij op aan de beambten der rijkspolitie in het algemeen, en aan diegenen in het bijzonder, welke daartoe bepaaldelijk mochten worden aangewezen. „Onze met de zaken der jacht en visscherij belaste minister" — vervolgde het vierde lid van het artikel — „stelt op verzoek der eigenaren van of rechthebbenden op gronden en vischwateren, en in hun belang, ook onbezoldigde beambten van rijkspolitie aan en ontslaat hen des noodig".

De heer Bieruma Oosting wilde daarvoor in de plaats lezen: „Onze met de zaken der jacht en visscherij belaste minister stelt aan en ontslaat opzieners der jacht en visscherij en is ook bevoegd, op verzoek der eigenaren van of rechthebbenden op gronden of vischwateren en in hun belang, onbezoldigde opzieners aan te stellen en te ontslaan.

„De opzieners waken tegen de overtredingen dezer wet en de in artt. 9, 10 en 11 bedoelde verordeningen. Tot gelijke werkzaamheid zijn verplicht de beambten der rijkspolitie, maréchaussee, de dienaars van justitie en gemeentelijke politie alsmede de beambten der rijksen plaatselijke middelen".

I>e Minister maakt opmerkzaam op een woord in het amendement van het geachte lid uit Friesland (den heer Bieruma Oosting), waarop ik niet had gelet, een woord waaruit volgt dat het Gouvernement onbezoldigde opzieners niet zou kunnen ontslaan dan op verzoek der eigenaren, op wier verzoek zij zijn aangesteld. Ik geef aan het geachte lid in bedenking, of de macht van het Gouvernement aldus niet te zeer beperkt wordt, in zooverre die onbezoldigde opzieners ook buiten den kring, waarvoor zij kunnen zijn aangesteld, recht hebben van toezicht en aan de bevelen van den Minister zijn onderworpen. Dat de onbezoldigde opziener niet dan op verzoek worde aangesteld is juist, maar het is even juist dat hij ook zonder verzoek door den Minister kunne worden ontslagen. omdat hij. eens aangesteld, tevens is publiek beambte of werkzaamheden van publieken dienst verricht.

Wat nu de zaak zeh-e betreft, kan ik mij niet onthouden te denken, dat het verschil tusschen de voorstellers der amendementen en den Minister toch dieper ligt dan men, den Minister hoorende, zou vermoeden. Den Minister hoorende zou men denken: het geldt enkel een woord. Gij wilt jachtopzieners noemen in de wet. ik niet; maar hetgeen gij van jachtopzieners verlangt, zal ik door mijne politie-ambtenaren doen verrichten, zegt de Minister, ik wensch slechts niet, dat zij den titel van jachtopzieners dragen. Zou men echter de zaak niet ook kunnen, ja mogen en moeten omkeeren? Zal de politie-ambtenaar. die niet jachtopziener mag heeten, in het oog van hem, die een speciaal toezicht verlangt, niet eveneens dat toezicht kunnen vergeten, als de jachtopziener, volgens den Minister, in gevaar is de taak van algemeene politie, welke hem tevens is opgedragen, te vergeten?

Sluiten