Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Indien het mij vergund is twee stellingen te laten voorafgaan, kom ik bij de derde tot mijne conclusie.

1. De overheid is in haar doen en laten evenmin afhankelijk van eenig kerkgeloof, als kerkgeloof afhankelijk is of zijn mag van de overheid. Voorheen was er wederkeerige afhankelijkheid; eerst sedert 1789 is het algemeen begrepen en regel geworden, dat godsdienst geheel behoort aan dat gebied van persoonlijke vrijheid waar geenerlei staats- of overheidsgezag regeert. Onder ons althans vindt dat groote beginsel geen tegenspraak meer. Maar hetgeen er tegenover staat en daarvan eene voorwaarde is: volkomene onafhankelijkheid der overheid van alle kerkgeloof, wordt nog niet zoo eenparig erkend. Van de oudste tijden herwaarts, Mijnheer de Voorzitter, was het een bijzondere trek der kerkelijke geloofsbegrippen om over andere, en zelfs, buiten den kring der Kerk, over de begrippen op ander gebied van menschelijke kennis heerschappij te voeren. En die neiging is nog niet bedwongen.

Als voorbeeld herinner ik mijne betrekking tot den spreker uit Leiden (den heer Groen van Prinsterer) ten aanzien van dit onderwerp. Zoolang hij vrijheid van onderwijs vroeg, was ik zijn bondgenoot ; maar van het oogenblik af dat hij het onderwijs, in zijn geest te geven, met een officieel karakter trachtte te bekleeden, was scheiding en strijd onvermijdelijk. De openbare volksschool in te richten naar de geloofsbelijdenis van eene bepaalde kerk, gelijk door hem verlangd wordt, is toch, mijns inziens, vooreerst strijdig met het wezen der volksschool, eene school voor allen; ten tweede met die vrijheid, welke hij, meen ik. bovenal zich verplicht moet achten in bescherming te nemen, met de vrijheid der kerk. Want het is duidelijk, dat zoodanig onderwijs het godsdienstonderwijs in de handen der overheid zal brengen. Daar toch, in de eerste plaats, de overheid moet waken, dat er alom voldoend lager onderwijs gegeven worde, zal die zorg zich tot een voldoend godsdienstig onderwijs moeten uitstrekken. Ten andere, de aanstaande onderwijzers, volgens de Grondwet, aan een examen van staatswege te onderwerpen, moeten daarbij dan ook hunne bekwaamheid in de hoofdwaarheden van een positief Christelijk geloof doen blijken. Ten derde, de overheid moet, volgens de Grondwet, toezicht voeren over de ambtsbediening van den onderwijzer, dus ook over de wijze, waarop hij aan de eischen van eene bepaalde kerkbelijdenis voldoet. Ware het niet eenvoudiger, juister uw doel meer rechtstreeks treffend, het gansche lager onderwijs voor de kerk op te vragen V

2. De overheid niet dienstbaar aan eenige kerk, en de kerk niet dienstbaar aan de overheid, wil dat zeggen, dat het Christendom vreemd is aan den Staat, of aan hetgeen van Staatswege geschiedt ? Ja, zoo de uitspraak geldt van hen die zeggen: öf mijn geloof, öf ongeloof; hij, die het Christendom niet begrijpt als ik,

Sluiten