Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heb voorgesteld met diezelfde woorden te beschrijven. Opleiding tot deugd en godsvrucht, zegt zeker niet minder dan hetgeen wij lezen in het ontwerp. De uitdrukking is wellicht zelfs duidelijker, voor het algemeen meer verstaanbaar, en aan misverstand minder onderhevig. De zaak bleef dezelfde; want die deugd en godsvrucht zouden Christelijke deugd en Christelijke godsvrucht zijn. De onderwijzer kan uit geene andere bron putten; en kon hij het, wie zou ie willen ? Het Christelijk levensbeginsel onzer maatschappij is een feit, waaraan hij niet vermag zich te onttrekken.

Wil men echter en ik kan mij daarmede wel vereenigen — hetgeen de grondslag is van onze zedelijkheid, bij zijn naam noemen, dan moet ook met des te meer zorg worden gewaakt, dat het publiek onderwijs het gebied der verschillende godsdienstbegrippen met betrede. Met des te meer zorg, dewijl men veelal geneigd is het Christendom uitsluitend in dat zijner bijzondere Kerk te zien.

Het zou, Mijnheer de Voorzitter, het ergste misbruik zijn der van overheidswege geopende volksschool, indien zij strekte om iemands godsdienstig gevoel of godsdienstige overtuiging te krenken Daartegen meen ik evenwel in de wet waarborgen te vinden, zoovele eene wet die geven kan.

Vooreerst de bepaling: Christelijke deugden, niet, zooals wellicht e geachte spreker uit Leiden liever zou lezen, hoofdwaarheden van het Christendom. Deugd heeft betrekking tot de richting van i n \\ il op het goede, tot de handeling, tot den levenswandel.

In de tweede plaats: het hoofdvoorschrift, waarop het hier voornamelijk aankomt, dat de onderwijzer zich onthoude van al hetgeen iemands godsdienstige begrippen zou kunnen krenken. De a gemeene strekking van het publiek onderwijs worde, gelijk in mijn amendement, als van zelve sprekende in de hoofdpunten aangestipt, zoodanig voorschrift zal. in eene wet, altijd meer of min te wenschen overlaten, en bij de uitvoering in duizenderlei opzicht afhankelijk zijn van den persoon des onderwijzers. Maar het verbod, hetgeen volgt, geheel en al eene zaak van het wetgevend gezag, dat daardoor de teederste rechten beschermt, is voor eiken publieken onderwijzer van eene volstrekt bindende kracht.

In de derde plaats: de bepaling der :ide alinea, dat het onderwijs in den godsdienst wordt overgelaten aan de zorg der kerkgenootschappen. Ik beschouw dit. Mijnheer de Voorzitter, als een gebod aan den publieken onderwijzer. De wet zegt, waar zijne roeping eindigt, en eene andere roeping begint. Hij moet het onderwijs in den godsdienst overlaten aan diegenen aan wie die zorg toekomt.

Eindelijk ten vierde: de instelling, welke de Kamer, voor zooveel van haar afhing, reeds gevestigd heeft, het wezen der algemeene volksschool, met een slechten naam, zoo mij voorkomt, ge-

Sluiten