Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mengde school genoemd, de school voor allen, waaraan alleen Christendom boven verdeeldheid van geloof' kan beantwoorden.

De minister van binnenlandsche zaken vond. bij veel overeenstemming, eenige punten van verschil tusschen de redactie van het regeerings-ontwerp en die van het amendement, welke hem noopten, aan de eerste te blijven hechten. De redactie van het ontwerp, overgenomen uit de wet van 1806, was, meende hij, in hare juiste beteekenis bij het onderwijzend personeel bekend, en zou dus als een degelijk richtsnoer kunnen dienen. Daarin was de geheele kring opgenomen, waarbinnen de onderwijzer zich moest bewegen, terwijl de grenzen, die hij niet mocht overtreden, nauwkeurig waren aangewezen. Terwijl het regeeringsontwerp duidelijk aanwees, wat de onderwijzer moest doen: „het onderwijs wordt dienstbaar gemaakt", scheen het amendement dit slechts te veronderstellen : „bij de ontwikkeling. bij de opleiding '. Ook ten aanzien van de opsomming van hetgeen de onderwijzer moest nalaten gat' de minister aan het regeeringsontwerp de voorkeur. Immers, zijne uitdrukking was sterker dan die van het amendement.

Inzonderheid nam de minister het tweede lid van het ontwerp in bescherming, waarbij den onderwijzer de plicht werd opgelegd, zich te onthouden van iets te leeren, wat strijdig is met den eerbied, verschuldigd aan de godsdienstige begrippen van andersdenkenden. „Dat inscherpen — zeide hij — van eerbied voor andersdenkenden bedoelt niets anders, dan dat hij moet trachten de kinderen datzelfde gevoel in te boezemen, hetwelk hemzelf bij het onderwijs moet bezielen." Ook de minister van justitie kwam daarop terug. Eerbiediging van ieders godsdienstig gevoelen, meende deze, beduidde niet eene goedkeuring van alle mogelijke dwalingen. Het was niet anders, dan de sanctioneering van ieders recht op eigen overtuiging en opvattingen. Het gebod bedoelde niet, eerbied in te prenten voor den inhoud dier overtuiging, doch slechts voor het recht van allen, eene eigene persoonlijke overtuiging te belijden.

Antwoord aan den heer Groen van Prinsterer.

Mijnheer de \ oorzitter, ik gevoel dat wij gekomen zijn tot een tijdstip der discussie, waar niet hij die spreekt, maar hij die zwijgt de Vergadering verplicht. Evenwel, en zij zal dit verwachten, moet ik een paar woorden zeggen tot aandrang van mijn amendement, /al ik hij die gelegenheid mij begeven in de discussie welke de geachte spreker uit Leiden (de heer (jroen van Prinsterer) gisteren opnieuw met mij heeft geopend?

Mets. Mijnheer de Voorzitter, ligt minder in mijn aard. dan een strijder in den toestand, den verlaten toestand, waarin de geachte spreker uit Leiden zich bevindt, eenige moeite te doen. Ik zou dus niet spreken, ik zou niet één punt uit zijne belangrijke rede opvatten, indien ik niet wist dat het niet spreken, het voorbijgaan alsof hij niet gesproken had. alsof hij er niet ware, hem de grootste moeite zou doen. Ik zal dus drie punten aanroeren.

1. Ik had van Christendom boven geloofsverdeeldheid gewaagd. Wat voert de geachte spreker mij te gemoet 'i Het Christendom dat Thorbeoke, Parlementaire Redevoeringen, 1856—1857. 10

Sluiten