Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het is geweest eene voorbijgaande polemiek, opgewekt door een of ander incidenteel vertoog van den geachten spreker uit Leiden.

Mij dunkt, ik moet steeds gezegd hebben, dat. wat de lagere school betreft, onderwijs de hoofdzaak is, en dat zeg ik nog. Ik kan mij onvolkomen hebben uitgedrukt, maar mijne meening kan niet geweest zijn, zedelijke opleiding van de school uit te sluiten. Ik kan, dunkt mij, niet hebben ontkend, dat de onderwijzer van de gelegenheid, die hem bij het onderwijs aangeboden wordt, gebruik mag maken om tot deugd en godsvrucht op te wekken ; eene opwekking die, naar mijn inzien, uit zijn ganschen omgang met de jeugd moet voortvloeien.

Indien de geachte spreker mij verkeerd heeft verstaan, dan vind ik den sleutel van het misverstand in hetgeen hij gisteren heeft gezegd. „De volksschool, zeide hij, is eene plaats van opvoeding voor eene godsdienstige natie." Wat wil dat anders zeggen. Mijnheer de Voorzitter, in zijn zin, waarvan wij de ontwikkeling zoo dikwerf hebben vernomen, dan dat de school eene plaats van godsdienstige opvoeding is ? Dat kan ik hebben tegengesproken, zooals ik het nog tegenspreek.

3. „Uwe organisatie — zegt mij de spreker — is gewetensdwang, tegen de rechten der natie ; en gij zult ons ook de vrijheid van bijzonder onderwijs niet laten behouden; gij beschouwt het bijzonder onderwijs als sectarisch en gij zult u wel vroeger of later van het staatsalvermogen bedienen om dat onderwijs te beperken of ons te ontnemen." Mag ik dat vermoeden met eene vraag bejegenen ? Waarom is dan gedurende de behandeling van dit ontwerp, die twee jaren geduurd heeft, waaraan ik in drie onderscheiden sectien heb deel genomen, nooit eenige poging door mij gedaan tot de beperking of verzwakking, die gij zegt te vreezen ? De geachte spreker en zijne vrienden, welke hunne taak in die sectiedeliberatien zoo ijverig hebben vervuld, zijn mijne beste getuigen tot bevestiging, dat mijn aandeel aan deze wet niet minder groot is geweest, dan wanneer ik het ontwerp als minister had moeten voorstellen en verdedigen. Die vrees voor sectescholen, die, zooals hier zeer juist is aangemerkt, in 1848 heerschte, was ook in de laatste jaren uit deze Kamer nog niet geweken. Wat ware mij en hun, die als ik denken, indien zij op beperking van de vrijheid van bijzonder onderwijs eenigszins bedacht waren geweest, gemakkelijker geweest dan die vrees te voeden en te versterken ? Maar, Mijnheer de Voorzitter, wij willen niets ontnemen ; wij willen de vrijheid waarborgen, terwijl wij organiseeren; en organiseeren is in onzen zin aan een ieder de taak toewijzen en verzekeren die overeenkomt met zijne bestemming.

De geachte spreker is geëindigd met eene klacht over de natie, die ik van hem niet verwachtte, en met eene profetie.

-

Sluiten