Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het oordeel van het Gouvernement over te laten of hetgeen eene behoorlijke inrichting van het onderwij* in eene gemeente vordert voor de gemeente zonder druk bereikbaar is, en, bij erkend bezwaar, op den Staat de verplichting te leggen, om het zijne te doen.

14 Juli. Nader:

Nog twee woorden over de amendementen, waarbij ik eene enkele opmerking wensch te voegen over een amendement, dat in het nauwste verband staat met die op dit artikel, het amendement, voorgedragen door het geachte lid uit Almelo (den heer van Hoëvell).

Al de drie amendementen op dit artikel zondigen, mijns inziens, tegen het beginsel, dat men eerst zich zeiven moet helpen, alvorens aanspraak te hebben op hulp van anderen. In allen gevalle is het verkeerd, met het verleenen van hulp, zooals de geachte sprekers voorstellen, te beginnen : men wachte af, of er hulp noodig zal zijn.

Alle drie amendementen doen aan de eene zijde te veel. en aan den anderen kant te weinig; te veel, waar geen behoefte is; te weinig, waar de behoefte grooter is dan die door het middel, dat zij verlangen, zal worden gedekt.

Ik noemde gisteren. Mijnheer de Voorzitter, het lager onderwijs eene gemeentezaak. Ik stel den hoogsten prijs op het behoud van de zelfstandigheid onzer gemeenten: ik ben overtuigd, dat hoe meer wij aanvankelijk op de gemeenten zelve laten aankomen, wij des te meer de krachten tot instandbrenging van een goed schoolwezen zullen vermenigvuldigen. Het belang, dat de gemeente bij het tot stand brengen van een goed schoolwezen heeft, moet levendig en in zijn geheel blijven. Zij moet leeren, zich voor dat hoog belang eenige inspanning te getroosten. Er is geene zelfstandigheid zonder inspanning. Ik wensch niet, dat de wet de neiging rechtvaardige, die, bij zoovele gemeentebesturen heerscht en waarover hier zoo dikwijls is geklaagd: karigheid ten opzichte van eene gemeentezaak van zoo groot gewicht. Men is al te zeer genegen en ook de gemeenten zijn genegen om af te schuiven op den Staat. Die zucht mag de wet en mogen wij niet aanmoedigen.

Zoo de wet eene behoorlijke inrichting van het onderwijs op den voorgrond stelt, en op de begrooting jaarlijks eene som, om de gemeenten te helpen, wordt gebracht, zullen wij tweeërlei gelegenheid tot controle hebben. Ik bedoel nu niet de tinancieele controle, die controle der Staten-Generaal, die wil verhoeden dat te veel worde uitgegeven. Ik bedoel die contröle, die zorgt dat de Kegeering het hare doe, dat de Staat zorge dat daar. waar geen behoorlijk schoolwezen is, dit tot stand kome. Dat toezicht zullen wij vooreerst bij de jaarlijksche begrooting en ten andere bij de overweging van het jaarlijksch verslag van den staat van het

Sluiten