Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onderwijs uitoefenen. Wij zullen dan kunnen nagaan hetgeen gedaan is, en aandringen op hetgeen gedaan moet worden.

De twee eerste amendementen, die van de heeren Sloet en Reinders, lijden ik meen het is gisteren betoogd — schipbreuk op de beide reeds aangenomen artikelen 17 en 19. Het derde amendement, dat van den heer van der Linden, wordt mijns inziens geheel overbodig èn door het amendement, dat ik wensch voor te stellen op art. 35, èn door het amendement van den heer van Hoëvell, dat volgens zijn voorstel art. 20 der wet zou worden. Dat amendement wensch ik te ondersteunen, indien daarin eene wijziging wordt gebracht. Het amendement maakt gewag van hulpscholen. Hulpscholen kent de wet niet; en tweeërlei lager onderwijs, een lager onderwijs van den tweeden rang. zou ik niet gaarne in de wet opgenomen zien. Daarom wenschte ik dat het amendement aldus gelezen wierd: „In gemeenten waarin, wegens de uitgebreidheid van haai' grondgebied bij verspreide bevolking, een grooter aantal scholen vereischt wordt dan anders noodig zijn, kan, onder goedkeuring van Gedeputeerde Staten, aan het hoofd van eene of eenige dier scholen een hoofd- of hulponderwijzer geplaatst worden, wiens jaarwedde minstens f 200 bedraagt." Aldus gelezen zal het amendement met het stelsel der wet in overeenstemming zijn: en dan is hetgeen de heer van der Linden wil bereiken, bereikt langs tweeërlei weg, op dien geopend dooi* het amendement van den heer van Hoëvell, en op den weg geopend of te openen door het amendement dat ik op art. 35 heb voorgesteld.

Mijnheer de Voorzitter, zoo ik meende voor de derde maal het woord te mogen vragen, het was bij de levendigheid mijner overtuiging, dat vooral de twee eerste der amendementen, thans aan de orde, niet aannemelijk zijn; eene overtuiging zóó levendig, dat, indien ik als Minister het ontwerp te verdedigen had, ik mij, bij aanneming van eene dier beide wijzigingen, verplicht zou rekenen het in te trekken.

Artikel 32. Schoolplichtigheid en schooldgeldplichtigheid. Amendement van den heer Blaupot ten Cate,

Zoo iets mij in den loop van de behandeling van dit ontwerp onverwacht is geweest, het is de ernst, waarmede de discussie over het amendement van den spreker uit Groningen schijnt te worden gevoerd. Ik heb met vlijt, met aandacht de vele sectievergaderingen bijgewoond, die in de laatste twee jaren over de ontwerpen tot regeling van het onderwijs zijn gehouden. Ik heb de eer gehad lid te zijn der verschillende Commissiën van Rapporteurs, en ik moet verklaren dat bij al die gelegenheden slechts zeer enkele stemmen ter mijner kennis zijn gekomen, welke of de schoolplichtigheid inriepen, of, wanneer zij die niet konden ver-

Sluiten