Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De heer Slot'! stolde nu voor, de twee leden te vervangen door liet voorschrift: „Aan bizondere scholen worden geene subsidiën dooide gemeente of de provincie verleend."

Ik vat niet, waarom de geachte spreker uit Zwolle, dien (ie ontwikkeling van het openbaar lager onderwijs hijzonder ter harte gaat. een middel wil ontnemen, zoo uitnemend berekend om. in een groot aantal onzer aanzienlijkste gemeenten, die zaak te bevorderen. Miskent hij wellicht den aard der scholen, waarvan sprake is? I)e scholen, die men 1111 bedoelt, en aan welke de gemeenten subsidién zullen kunnen geven, zijn inrichtingen die. schoon bijzondere scholen blijvende, niet anders willen zijn dan hetgeen de openbare school is, ten dienste van allen. Het zijn de inrichtingen, aan welke in onze steden het onderwijs der jeugd door de burgerij algemeen en bijkans uitsluitend is toevertrouwd. De onderwijzers zullen zich gaarne onderwerpen aan hetgeen voor de openbare school is voorgeschreven; hun belang brengt dit mede. ook dan wanneer zij geen subsidie genieten: en wanneer zij subsidie genieten en daardoor in betrekking tot het gemeentebestuur zijn gebracht, zooveel te meer.

Zooals nu het amendement van den geachten spreker uit Zwolle luidt, zal daaruit in weerwil zelfs, vrees ik. van alle ministerieele verklaringen, worden opgemaakt, dat er en in zooverre komt het amendement den geachten spreker uit de hoofdstad (den heer Baud) bijzonder te stade — geen subsidie zal kunnen verleend worden, behalve </oor het Rijk.

Artikel 36. Het ontwerp schreef voor: „Tot het geven van bizonder onderwijs of van huisonderwijs wordt vereischt het bezit:

eener akte van bekwaamheid;

„b. van gelijk getuigschrift als in artikel 20 lit. b, is vermeld; „c. van een bewijs, dat beide deze stukken door burgemeester en wethouders der gemeente, waar het onderwijs zal gegeven worden, zijn gezien en in orde bevonden."

De heer Elout van Soeterwoude wilde lezen: „Het geven van bizonder schoolonderwijs of van huisonderwijs zoowel ten opzichte van de inrichting en godsdienstige strekking als van de meerdere of mindere uitgebreidheid, is vrij, behoudens het bezit:

„a. Van eene ingevolge de bepalingen van den vierden titel dezer wet verkregen akte van bekwaamheid:

„b en e. (Gelijk het ontwerp).

„Bij weigering van dat visa wordt hooger beroep toegelaten op Gedeputeerde Staten."

Ik zie ongaarne in het amendement gewag gemaakt van godsdienstige strekking. Over godsdienstige strekking heeft de wet niets hoegenaamd te gebieden, te vergunnen, of te verbieden.

Ten opzichte van de inrichting. Het is, mijns inziens, onnoodig

Sluiten