Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIJFTIENDE VOORDRACHT.

Wij zijn hierin naar mijne meening nog niet verder, dan dat wij aannemen, dat bij voortgezet chininegebruik het aantal recidieven belangrijk kleiner is dan wanneer men het medicament alleen gedurende eenige dagen na het acute stadium toedient. Men is dus verplicht, zijn malarialijders een nakuur te laten ondergaan. Wij hebben reeds bij de bespreking van de therapie van verschillende auteurs opgegeven, hoe in dit opzicht door vele schrijvers wordt gehandeld. Ons rest dus nog alleen, na te gaan, aan welke methode wij zelf de voorkeur zullen geven.

Dit hangt naar mijne opvatting al weer grootendeels af van de omstandigheden, waaronder men werkt en van de individuen, die behandeld moeten worden. Bij nabehandeling in 't groot bv. zullen eenvoudigheid en gelijkvormigheid de eerste eischen zijn, omdat anders licht verwarring optreedt en vergissingen zullen worden begaan. Daarom acht ik bv. in het leger nabehandeling volgens Nocht, waarbij de chininevrije perioden steeds grooter worden, en waarin het middel over vijf giften per dag wordt verdeeld, minder geschikt. Daar is een eenvoudige methode, die voor alle patienten altijd dezelfde is, aangewezen. Maar welke?

De keus is moeielijk, want er zijn, gelijk reeds gezegd werd, nog geen voldoende gegevens voorhanden om met zekerheid uit te maken, welke wijze de geschiktste is. Daarom lijkt het mij bij toepassing in het groot, zooals in het leger, op ondernemingen met veel koelies, in gevangenissen enz. het best, om de nabehandeling geheel op denzelfden voet in te richten als de prophylaxis. De zaak wordt daardoor veel eenvoudiger, omdat men dan op alle personen die aan een kuur zijn onderworpen, hetzelfde kan toepassen. Of men nu dagelijks dan wel met grootere tusschenpoozen chinine zal geven, hangt naar mijne opvatting uitsluitend van uitwendige omstandigheden af.

Ook in de private practijk kan men, daarbij rekening houdend met de omstandigheden en met de gevoeligheid

Sluiten