Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VOORBERICHT.

delen, dan ik had denken te doen, zou eene even uitvoerige behandeling der woordbeteekenissen (en deze hadden daarop recht) het boek al te omvangrijk hebben gemaakt. Misschien voeg ik — als mijn beperkte tijd mij dat ten minste vergunt — er later een afzonderlijk deel over de woordbeteekenissen aan toe.

Mijn plan om in dit boek ook een overzicht te geven van de geschiedenis der philologie heb ik al zeer spoedig laten varen en liever bij het vermelden van de verschillende nieuwe voorstellingen en ontdekkingen op het gebied der taalwetenschap met enkele woorden gewezen op de mannen, aan wie wij ze te danken hebben, en op de werken, waarin zij verkondigd zijn. In het nauwkeurig register van persoonsnamen, waarin men niet alleen de namen van de tegenwoordig gezag hebbende geleerden zal vinden, maar ook die van hen, wier aandeel aan de ontwikkeling der taalwetenschap eertijds aanzienlijk en roemenswaard was, zal wie dat wenscht stof genoeg vinden, om voor zich zulk een overzicht van de geschiedenis der philologie samen te stellen.

Dit werk is door mij „Inleiding tot de Geschiedenis der Nederlandsche taal" genoemd, omdat het van den aanvang af bestemd was, vooraf te gaan aan eene Nederlandsche bewerking mijner Geschiedenis der Nederlandsche taal in Paul's Grundriss der germanischen Philologie". In den „Grundriss" mocht ik niet anders geven dan de geschiedenis van onze schrijftaal van het oogenblik af, dat zij als schrijftaal was overgeleverd. Hare voorgeschiedenis en hare verhouding tot andere talen moest daar ontbreken, omdat door anderen in den „Grundriss" die onderwerpen — van een meer algemeen Germaansch standpunt — uitvoerig waren behandeld; en van algemeene taalbeschouwing kon natuurlijk in mijne geschiedenis, zooals die door de inrichting van den „Grundriss" werd geëischt, evenmin sprake zijn. Daar de ruimte, in den „Grundriss" te mijner beschikking gesteld, mij tot beknoptheid

Sluiten