Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vooral bij de ontwikkelde talen der denkende volken heeft de logica eene groote rol gespeeld, zóó groot, dat de vroegere gelijkstelling van denken en spreken , hoe onjuist ook, daardoor volkomen begrijpelijk wordt.

Opzettelijk heb ik in den loop mijner uiteenzetting twee namen, tHe van Von Hümboldt en Steinthal genoemd. Ik wilde namelijk er op die wijze aan herinneren, hoeveel wij aan die mannen voor onze kennis van het wezen der taal verplicht zijn. Dat er tusschen den geest en de taal nauw verband bestaat, hebben üij weliswaar niet ontdekt, want reeds onze groote leermeesters, de Grieken, en onder hen met name Plato en Aristoteles , hebben de geesteswerkzaamheid van het denken in en door de taal verkondigd; hunne leerlingen hebben daarop zelfs hunne logica en de Alexandrijnen hunne grammatica gebouwd. Voor deze echter was,evenals voor de wijsgeeren der middeleeuwen en de taalbeoefenaars van lateren tijd tot het begin van onze eeuw toe, de geest zoo goed als uitsluitend de denker; de abstracte denkvormen waren voor hen de openbaringsvormen van den geest en de spraakklanken waren, volgens hen , daarvan de hoorbare teekens. Niemand heeft die leer meer in samenhang en met meer scherpzinnigheid verkondigd, dan onze Johannes Kikker , die eene stoute poging deed, om de algemeene taalwetten uit de algemeene denkwetten der Kantiaansche wijsbegeerte te verklaren 1) en de periode der logische taalbeschouwing daarmee waardig besloot.

Intusschen was de betere psychologische taalbeschouwing reeds voorbereid door mannen als Herder en Friedrich Schlegel, en op het door hen geëffende pad voortgaande, heeft Wilhelm von Hcmboldt den innigen samenhang tusschen taal en geest, waarvan de handboeken der logica en de beredeneerde spraakkunsten slechts een onjuist schaduwbeeld gaven, in een helder licht gesteld en aan de levende talen, zoowel als aan de openbaringen van het geestesleven der volkeren getoetst. Hij heeft zich het eerst in het wezen der taal, waarvan anderen slechts een nevelachtig denkbeeld hadden, een helder inzicht verschaft, en door de aantrekkelijkheid van zijne tegelijk dichterljjke en diepzinnige behandeling van dat onderwerp de aandacht der taalgeleerden daarop gevestigd.

') Mr. J. Kinker, Inleiding eener wijsyeerige algemeene theorie der talen, Amst. 1817. Zie daarover Dr. B. H. G. K. van der Wijck, Mr. Johannes Kinker, Groningen 1864, bl. 117—147.

Sluiten