is toegevoegd aan je favorieten.

Inleiding tot de geschiedenis der Nederlandsche taal

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

werd de psychologische studie der taal, althans onder de taalgeleerden , later weer op den achtergrond gedrongen, totdat zij in onzen tijd opnieuw, ook in ons land, in eere is gekomen, vooral door het invloedrijk voorbeeld van Hermakn Paul ').

§ 2. Spraakwerktuigen en Spraakklanken.

Ofschoon de spraak eene geestesuiting is en ook in de eerste plaats als zoodanig moet worden beschouwd, kan zij alleen gevormd worden door behulp van de spraakwerktuigen des lichaams, en men kan dus, zonder in eenig opzicht den invloed van den geest op bet uiten van spraakklanken gering te schatten, nagaan, hoe die spraakorganen op zich zelf werken, te meer nog omdat dezelfde klanken ook zonder toedoen van den geest, alleen door reflexbewegingen, ja zelfs door daartoe opzettelijk vervaardigde physische instrumenten kunnen voortgebracht worden. Men kan de spraakorganen samen evengoed een spraakinstrument noemen , als men eene piano een muziekinstrument noemt, en voor den taalbeoefenaar is het van het grootste belang te weten, hoe dat werktuig is samengesteld, en hoe het werkt, als men er de spraakklanken mee uit.

Alle klank wordt voortgebracht door golvende beweging van lucht, en de luchtstroom , dien de mensch in beweging brengt om te spreken , is de lucht, die, na door de bronchi de longen verlaten te hebben, zich in de luchtpijp (trachea) bevindt. Den weg, dien de lucht van de luchtpijp naar buiten volgt, kunnen wij den spraakweg noemen. Deze begint bij het strottenhoofd (larynx), d. i. het bovengedeelte van de luchtpijp, dat van onderen door een ringvormig kraakbeen gevormd wordt en daarboven door een schildvormig kraakbeen , waarvan de duidelijk zichtbare voorkant als Adamsappel bekend is, en waaraan inwendig, onmiddellijk naast elkaar, twee veerkrachtige vliezen, de stembanden , bevestigd zijn, die in horizontale richting naar den achterwand van het strottenhoofd loopen en daar ieder aan een kraakbeenig bekervormig lichaampje verbonden zijn. De beweeglijkheid van die lichaampjes maakt, dat de stembanden aan de achterzijde van het strottenhoofd elkaar kunnen naderen of zich van elkaar kunnen verwijderen en dat dus de opening tusschen die stembanden , de stemspleet (rima glottidis), willekeurig wijder of nauwer kan gemaakt, ja zelfs geheel gesloten kan worden, in

') Dr. H. Paul, Principien der Sprachgeschichte (Halle 1880, 2de dr. 1886).