Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De luchtstroom in de mondholte beweegt zich nu in eene ruimte, waarvan de rechter en linker zijde gevormd wordt door de aan de vaste bovenkaak en beweeglijke onderkaak verbonden wangen, en waarvan de boven- en de onderzijde een zeer verschillend en voor het spreken uiterst gewichtig karakter hebben. Hij stroomt onderlangs de huig (uvula) of de neerhangende punt van het verhemelte, vervolgens langs het zachte verhemelte (velum) en het harde verhemelte (palatum), en eindelijk langs het boventandvleesch, de boventanden (waarvan men boven- en onderkant onderscheidt) en de bovenlip. De luchtstroom beweegt zich bovenlangs den rug, het blad en de punt van de tong en vervolgens langs het benedentandvleesch, de benedentanden en de benedenlip.

De stand nu van al die lichaamsdeelen oefent een wijzigenden invloed op den aard van het geruisch of den klank der stem. "Wordt de spraakweg op een bepaald punt aanmerkelijk vernauwd of voor een oogenblik geheel afgesloten of plotseling geopend, dan kan de luchtstroom slechts een geruisch veroorzaken, dat wij eenen medeklinker noemen ; heeft er noch vernauwing , noch afsluiting plaats, dan vormt de lucht bij het trillen der stembanden eenen klinker, maar bij wijdgeopende stemspleet slechts eenen ademtocht. De toestand der spraakorganen in het laatste geval heet de articulatiebasis. Zij is voor verschillende individuen en volkstammen verschillend , en vandaar reeds voor een groot deel het onderscheid in spraak tusschen menschen en volken onderling.

Gaan wij nu achtereenvolgens de vorming der klinkers en die der medeklinkers na , doch slechts om daarvan in 't algemeen een begrip te geven en zonder af te dalen in bijzonderheden, die in eene algemeene klankleer te huis behooren, maar hier misplaatst zouden zijn.

Het aantal klinkers, dat door de verschillende toestanden van den spraakweg gevormd kan worden, is uit den aard der zaak oneindig groot; maar daar alle verscheidenheden niet meer duidelijk waarneembaar of aanduidbaar zijn, bepaalt men er zich gewoonlijk toe, zes en dertig verschillende klinkers aan te geven, waarvan sommige in deze, andere in gene taal worden aangetroffen. Dat van het oneindig aantal juist die zes en dertig gekozen zjjn en niet andere, is in zekeren zin toeval. De klanken in de bekende talen zijn eenigszins willekeurig als typen aangenomen; maar dat er ook werkelijke, niet slechts in dialecten, maar ook in beschaafde spreektalen voorkomende klanken tusschen die zes en dertig vastgestelde punten in-

Sluiten