Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

open spraakweg gemeen, maar die open spraakweg is de neusholte, waarom zij dan ook neusletters (nasalen) heeten. De mondholte daarentegen wordt gesloten bij de m zooals bjj de p en b, bij de den ■ tale n zooals bij de t of d, bij de palatale n zooals bij de j, bij de gutturale n, die wij in onze verbinding nk en ng hooren, zooals bij de k of de ontploffings-^r. Bij het sluiten van den neus verliezen zij den stemtoon, en zij kunnen die, gelijk ook l en r, ook m verbinding met stemlooze medeklinkers verliezen.

Een juist inzicht in de vorming der spraakklanken is ter bepaling van het wezen der taal van het hoogste belang, en daarom heeft reeds van den oudsten tijd af aan de physiologie der spraakklanken hare beoefenaars gevonden, ook toen de wetenschap der physiologie en der anatomie zelf nog in hare kindsheid verkeerdo. Reeds de Gneksche sophisten hielden er zich mee bezig, en naast en tegenover hen ook Plato , die in zijnen Kratglos het aandeel der verschillende spraakorganen bij het uitbrengen der klanken in het ruwe aanwees. De Alexandrijnen onderscheidden daarnaar de letters in klassen en ontwierpen eene terminologie, die verlatiniseerd nog gedeeltelijk in gebruik is. De Arabieren volgden hen en brachten het daarbij zelfs tot eene aanmerkelijke hoogte, evenals de Indische geleerden met PaNiNi aan het hoofd.

Gedurende de middeleeuwen echter stond ook dit onderdeel der wetenschap stil, en zelfs daarna duurde het nog lang vóór er ejnige vooruitgang van beteekenis plaats had , ook zonder dat de physiologische zijde der taalwetenschap geheel werd verwaarloosd, want Molière bracht haar zelfs in zijn Bourgeois Gentilhomme ten tooneele. Toch werd er zoo weinig degelijks op dit gebied geleverd, dat Lambert ten Kate in 1723 kon zeggen, bij geenen schrijver iets over het eigenlijk karakter der spraakklanken te hebben aangetroffen, zoodat hij daarbij geheel alleen zijnen weg moest zoeken. Hij heeft dat gedaan en reeds zeer veel gevonden van wat wij boven mededeelden, ofschoon men door de eigenaardige terminologie, waarvan hij zich bedient, niet terstond alles bij hem zal herkennen, en ook niet alles even scherp en duidelijk door hem geformuleerd zal vinden ').

) Zie L. ten Kate, Onderzoek over ome Nederduiische letterklanken in zone Aenletding, Amst. 1723, 1 bl. 109-151. Hij behandelt daar de luchtgo vingen in betrekking tot de toonhoogte, toonsterkte en resonans. Hij vindt het onderscheid tusschen klinkers en medeklinkers in het openhouden, vernauwen of slniten van den spraakweg, bepaalt eenigszins den stand

Sluiten