Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

betrekking tot elkaar. De volwassen mensch van den tegenwoordigen tijd echter spreekt z<5o niet meer, of hij moet een vadzige zonderling zijn, die de liefhebberij heeft, om telkens als hij spreekt aan anderen raadseltjes op te geven. Regel is het, dat men spreekt in minstens twee woorden, van welke de eene de hoofdvoorstelling, het onderwerp {subject), noemt en het andere de daarmee in verband gebrachte voorstelling (praedicaat). Worden nu die beide voorstellingen zoodanig in woorden uitgedrukt, dat hare onderlinge betrekking van subject en praedicaat tevens voldoende blijkt, dan noemt men de beide woorden samen eenen zin of liever volzin en hunnen inhoud eene gedachte. Blijkt hare betrekking niet duidelijk, zoodat zij slechts twee na elkaar in woorden geuite, maar onsamenhangende voorstellingen schijnen, dan kan men er geene gedachte in herkennen en noemt men de woorden onzin. Men bedenke echter, dat wat logisch onzin heet, in taalkundig opzicht zeer goed zin kan zijn. Logisch onzinnig is de volzin : de as draait om hare aarde, maar op dien volzin als taalvorm is niets aan te merken, terwijl daarentegen de logisch juiste gedachte: de aarde draait om hare as taalkundige onzin zou worden, wanneer men door gebrekkige taalkennis er toe gebracht werd haar uit te drukken in deze woorden: draaien het aarde zijn as om. De onzin is hier ontstaan doordat de in onze taal gebruikelijke verbindingsmiddelen niet of verkeerd zijn gebezigd.

Iedere taal nu heeft hare eigenaardige middelen om het verband der woorden in den zin aan te duiden. De meest algemeene zijn het zinaccent, het muzikaal accent, en de volgorde der woorden, waarmee het Chineesch zich bijna uitsluitend moet behelpen, ofschoon daar toch ook reeds de in onze Europeesche talen zoo sterk uitgebreide klasse van betrekkingswoorden bestaat, die bepaaldelijk dienen om het zinsverband te vormen of te helpen vormen en op zich zelf meestal geene voorstellingen vertegenwoordigen. De zoogenaamde flecteerende talen hebben nog een vijfde middel om het zinsverband aan te geven, namelijk die klankwijzigingen in het lichaam of aan het eind der woorden , welke wij onder den naam van buiging samenvatten.

Bij de werkwoorden , waarbij wij de buiging vervoeging (conjugatie) noemen , geven de klankwijzigingen den tijd aan, waarin men zich de werking (of hoe men het anders noemen wil) als plaatshebbend voorstelt, en de wijze, waarop men zich de werking in betrekking tot de werkelijkheid of tot eenen toestand der verbeelding denkt. Het

Sluiten