Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aantal tijden kan natuurlijk in de verschillende talen zeer verschillend zijn, want de drie hoofdcategorieën van tijd : heden, verleden en toekomst , kunnen in betrekking tot elkaar en in verband tot voortduring of voltooidheid der werking in verschillende schakeeringen worden gedacht. Ook de wijzen, waarop de werking kan voorgesteld worden, zijn talrijk. Naast onze drie persoonswijzen staat in het Grieksch nog eene vierde (de optatief), en de Semietische talen bezitten nog geheel andere vervoegingsvormen, die wij gedeeltelijk door modale bijwoorden of modale werkwoorden uitdrukken.

Eindelijk bestaan in de meeste flecteerende talen ook nog vormen, waarmee de werking als eene zelfstandigheid (infinitief) of tijdelijke eigenschap (deelwoord) kan worden voorgesteld en het woord dus een naamwoord wordt, waarmee het dan de vormen der verbuiging (declinatie) aanneemt. De betrekkingen in den zin van de door de naamwoorden uitgedrukte voorstellingen (d. i. van de voorstellingen van zelfstandigheden, eigenschappen en betrekkingen), die door vormverandering der woorden worden aangeduid, noemen wij naamvallen; en ook van deze is het aantal onbepaald en verschillend in de verschillende talen. Men heeft er 28 als mogelijk opgeteld 1), welke echter slechts voor een klein gedeelte (hoogstens acht) in de aan onze taal verwante en meest bekende talen worden aangetroffen ; maar men kan begrijpen , hoevele er mogelijk zijn , als men bedenkt, dat iedere betrekking, die wij door middel van voorzetsels aanduiden, ook door eenen naamvalsvorm zou kunnen aangewezen worden.

De talen, waarin de buiging ontbreekt, zijn öf monosyllabische (ook isoleerende geheeten), d.i. talen met louter eenlettergrepige, onverbuigbare woorden, zooals b.v. het Chineesch, öf agglutineerende, met veellettergrepige woordkoppelingen, waarvan ééne dikwijls een tamelijk uitgebreiden volzin uitmaakt. Yon Humboldt en Pott zagen in die beide taalklassen twee soorten van geestesontwikkeling, waarnaast dan de klasse der flecteerende talen stond als vertegenwoordigster van de hoogste geestbeschaving; en zij meenden, dat het van den geestelijken aanleg van een volk afhing, welken trap van ontwikkeling zijne taal en dus ook zijne geestbeschaving zou bereiken. Later echter is men tot de overtuiging gekomen, dat er geene reden is, om in de verschillende middelen om het zinsverband aan te duiden uitingen van hoogeren of lageren geestelijken

') Zie Dr. L. A. te Winkel, Taalgids II (1860) bl. 292 vlg.

Sluiten