Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vandaar ook , dat twee woorden van twee talen elkaar in beteekenis zelden of nooit dekken, daar gewoonlijk het woord van de eene taal in eenig zinsverband kan voorkomen , waarin dat van de andere taal niet kan gebruikt worden.

Zelfs de klank der woorden buiten zinsverband kan verschillen van den klank, dien zij in het zinsverband hebben. Ik gaf u voor een half uur, niet waar ? toch een bewijs, dat ik me niet ver• giste y wordt uitgesproken als: ik chav-u voor een halv-uur, niet waar? tog-een bewijz-dat ik me niet-fergiste. Zooals uit dezen zin blijkt, oefent de beginklank van een woord dikwijls bij anticipatie een wijzigenden invloed op don slotklank van het voorafgaande, terwijl ook omgekeerd de werking in plaats van regressief te zijn progressief kan wezen, zoodat het volgende woord den invloed van het voorafgaande ondervindt. Het taalverschijnsel van den klankwijzigenden invloed der woorden in het zinsverband op elkaar noemen wij, in navolging van de Indische taalgeleerden, sandhi.

Daar nu de taal in den zinvorm gesproken wordt, is de klank der uit den zin losgemaakte woorden geen reëele, maar een ideëele of, wil men, gemiddelde klank, door abstraheering afgeleid uit een groot aantal volzinnen, waarin dezelfde woorden gehoord worden.

Uit het zinsverband losgemaakt hebben ook alle woorden denzelfden klemtoon (dynamisch accent) en ook — afgezien van de schakeeringen, die uit den aard der spraakklanken zelf kunnen voortvloeien — hetzelfde muzikaal accent, d. i. dus slechts eene ideëele of gemiddelde toonhoogte. In het zinsverband hebben zij de reëelo accentuatie. Nemen wij bv. den reeds besproken volzin: ik gaf ul voor een half oub , niet waar? // — toch een iewus, dat ik me niet veraiste. Daarin sluiten zich proclitisch bij de volgende woorden aan: ik, het eerste een en me, en enclitisch bij de voorafgaande : u, het tweede een en het tweede ik. De overige elf woorden hebben een eigen woordaccent, dat hen tot zelfstandige woorden stempelt, en tevens, voor zoover zij uit meer lettergrepen bestaan, tot spraakeenheden. Dat woordaccent verliezen zij in den zin niet geheel, maar het wordt toch in hooge mate overstemd door het zinaccent, dat de verschillende, door woordgroepen gevormde, onderdeelfin van den zin tegenover elkander tot eene gedachteëonheid maakt door aan het hoofdwoord (den vertegenwoordiger der hoofdvoorstelling van de gedachte) bijzonderen nadruk te geven. Heeft zulk een hoofdwoord met klemtoon een korten klinker, dan zeggen

Sluiten