Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Als gezellig wezen breidelt de mensch de taalvormende willekeur zijner natuur dermate zelfs, dat hij zich eene taal of althans de bouwstoffen eener taal laat opdringen door anderen. Gelukkig zijn die anderen aanvankelijk zij , aan wie de mcnsch ook verder alles moet dank weten, wat hij bezit: zijne ouders, en neemt hij de taal aan op eenen leeftijd , waarop de kring zijner voorstellingen nog uiterst beperkt en zijn besef van lichameljjke en geesteljjke zwakheid nog bijzonder levendig is. Ook het kind heeft wel zijne eigene taal, te bekoorlijker naarmate zij in hare frischheid meer van eigen geesteswerkzaamheid getuigt, vol vinding in hare onvolledigheid, vol uitdrukking in hare onbeholpenheid; maar die taal verrijkt zich meer en meer uit den woordenschat, dien het kind dagelijks hoort; die taal schikt zich onwillekeurig of onder terechtwijzing naar de taal der ouders, in uitspraak, in klemtoon, in woordenkeus, in zinbouw. De geest van het kind leeft zich in in den gedachtenkring zijner ouders door het aannemen van hunne taal. Het kan bovendien nog des te gemakkelijker die taal aannemen , omdat er niet alleen continuïteit in den geest van den enkelen raensch heerscht, maar evenzeer in den geest van een menschengeslacht, omdat bloedverwantschap geestverwantschap mag doen veronderstellen en de overeenstemming tusschen ouders en kinderen wel niet alleen in de spraakorganen van hot lichaam, maar ook in het taaiorgaan van den geest zal bestaan.

Aan de hand van zijnen onderwijzer treedt het kind daarop de groote maatschappij binnen , en al bestaat die maatschappij ook voorloopig voor hem nog maar hoofdzakelijk uit den kring van zijne kleine speelmakkertjes, in denken en spreken ondergaat hij daar toch een zoo gewichtigen invloed, dat zijne ouders nu op hunne beurt zich soms moeten gaan inspannen om hem te begrijpen. Nieuwe woorden en zegswijzen voert hij zijnen familiekring binnen, en hoe ruimer de kring, waarin hij zich beweegt, gaandeweg wordt, des te grooter wordt zijn taalschat, des te veelzjjdiger worden zijne voorstellingen en voorstellingsvormen. Alleen het eigenaardig karakter zijner persoonlijkheid is dan in staat orde en samenhang te brengen in die veelheid, terwijl de omvang zijner geestvermogens, de energie van zijne denkkracht er de grenzen van bepaalt.

§"6. Eenheid en Verscheidenheid van taal.

Daar spreken en verstaan elkanders supplement zijn, is de taal niet alleen iets persoonlijks , maar tegelijk ook iets maatschappelijks,

Sluiten