Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hebben kunnen denken om de taal te kunnen uitvinden. Ook C. de Brosses (1765) achtte de taal langs mechanischen, d. i. natuurlijken, weg door de menschen gevormd, en D. Tiedemann (1772) meende, dat gewaarwordingen eerst in gebaren en daarna, op het voorbeeld der dieren, in geluiden werden weergegeven, waaruit dan door den drang der behoefte en bij meer ontwikkeling van den geest woorden ontstonden. J. G. Herder (1772), bij wien reeds een helderder inzicht in het wezen der taal begon op te komen en wiens dichterlijk-wijsgeerige geschriften daarover verre boven die van zijne tjjdgenooten uitmunten, achtte het eigenaardig kenmerk van den mensch ook oorspronkelijk gelegen in zijn nadenken (Besonnenheit) en identificeerde daarmede het spreken. J. Cu. Adelüng (1806) vond in de zedelijke natuur van den mensch het vermogen om de oorspronkelijke natuurkreten te doen dienen als zinnebeelden der dingen, en A. Ypey (1812) meende den oorsprong der taal te vinden deels in eene natuurlijke neiging tot klanknabootsing, deels in de zucht om wat onder de zinnen viel door daarbij passende klanken (bv. hooge voorwerpen door een hoog stemgeluid), dus eigenlijk zinnebeeldig, aan te duiden. Ook Bilderdijk stond inderdaad vrij wel op hetzelfde standpunt, terwijl hij zich voor een deel zijner verklaring uitdrukkelijk bij De Brosses aansloot. De elementen der taal zag hij in natuurlijke kreten, nabootsing van klanken, nabootsing van werkingen, vormen en betrekkingen door klanken, en herinnering van vroegere, onwillekeurig bij bepaalde dingen geuite klanken, waarmede die klanken dan werden geassocieerd '); maar als dichter2) noemde hij do taal eene „goddelijke gift, met d'ademtocht van 't leven aan 't schepsel ingestort" en veeleer dan een „kunstgewrocht, door arbeidzaam verstand met moeite en vlijt gezocht", achtte hij haar bij 's menschen „val vervallen en ontaard". Zoo meende hij beide richtingen naast elkaar te kunnen handhaven.

Tegenwoordig is — ook omdat do theologie in geen engeren zin voor de taal goddelijken oorsprong eiseht dan voor zoovele andere natuurlijk ontwikkelde dingen — de strijd over den goddelijken of menschelijken oorsprong der taal gelukkig gestaakt uit gebrek aan strijders en is men in menig opzicht do quaestie uit een ander oogpunt gaan bekijken. De grondvesting der wetenschappelijke taalvergelij-

') W. Bilderdijk, Verhandeling over de Geslachten der naamwoorden, 2de dr. Amst. 1818, bl. 103 vlg.

') W. Bilderdijk, De Dieren, Amst. 1817,

Sluiten