Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de voornaamste vertegenwoordiger was, staat en valt met die wijsbegeerte, of liever, is er mee gevallen.

Van de empirische wijsbegeerte was meer heil te verwachten dan van de bespiegeling, vooral wanneer men zich nauw aansloot bij de zielkunde , b.v. van IIerbart en Lotze, en dat deed Von Humboldt's voortreffelijkste leerling II. Steinthal in zijn beroemd werk over den oorsprong der taal, het beste zeker dat wij over dit onderwerp bezitten. Uitgaande van Von Humboldt's stelling, dat de taal telkens opnieuw ontstaat in iederen mensch , tracht do psychologische taalstudie nu te ontdekken hoe dat gebeurt, en meent zij dat het best te kunnen waarnemen aan het zich van infans tot puer ontwikkelende kind. V<at het kind nog steeds doet, moet de mensch in zijne kinds» heid ook eens gedaan hebben : in de kinderkamer moest men den oorsprong der taal zoeken. Natuurlijk wachtte een man als Steinthal er zich wel voor, dat hij niet esn moderne Psammetichus werd. Hij moest wel inzien, dat een Indogermaansch kind der negentiende eeuw een anderen aanleg mee ter wereld brengt dan de holenmensch en dat in dat kind de taal dus geheel anders moest ontstaan dan in den alleroud sten tijd was gebeurd, nog afgezien hiervan, dat het kind wordt opgevoed in eeno omgeving van sprekende menschen. Als controleproef kon men daarom eeno vergelijking van de taal der natuurvolken met do kindertaal niet missen. Bovendien kon men voor zijn onderzoek nog partij trekken van al de taalscheppende en taalwijzigende factoren, die de taalgeschiedenis aan het licht had gebracht. Zoo werd het onderzoek naar don oorsprong der taal tegelijk een onderzoek naar den ontwikkelingsgang van den menschelijken geest, m. a. w. men zou eerst kunnen weten, hoe de taal was ontstaan, als men de geschiedenis van den menschelijken geest kende.

Geen wonder dan ook, dat wie de verklaring van hot raadsel zocht in den vroegsten toestand van den menschelijken geest, zich gemakkelijk aansloot bjj de school van Darwin , die, toen hij zijne hypothese aangaande den oorsprong van het menscheljjk geslacht uit eene lagere diersoort verkondigde, zich ook zelf een oogenblik met de vraag naar de taal van den oorspronkelijken mensch bezig hield ofschoon hij zich verder bepaalde tot verwijzen naar het 13de hoofdstuk Van C. Lyell's Geological Evidences of the Anliquity

) Zie Ch. Darwin, The Descent of Man and Selection in relation to Sex (1871), I chapt. 2.

Sluiten