Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wortels, maar daarom stellen zij nog niet allen zich die wortels op dezelfde wijze voor.

De oudere geleerden meenden over het algemeen , dat de wortelklinker door één of meer medeklinkers voorafgegaan of gevolgd, ja ook voorafgegaan en tevens gevolgd kon worden. Eerst Curtius en Ascoli vonden het waarschijnlijk, dat met medeklinkers beginnende en als wortels beschouwde monosyllaben eigenlijk reeds in afgeleiden vorm voorkwamen, wanneer zij ook met medeklinkers sloten, en Fick heeft die stelling volledig uitgewerkt door aan te nemen, dat wortels alleen konden bestaan óf uit eene vocaal óf uit vocaal -fconsonant óf uit één of twee consonanten -)- vocaal. Typen van wortels zijn volgens hem dus a, as, da, s/a, en een wortel alss/l-adis geen eigenlijke wortel, maar moet beschouwd worden als de samengestelde wortel ska -(- da. Bovendien is, volgens hem, de eenige eigenlijke wortelvocaal a, want i en u, die door Schleicher en anderen ook nog voor wortelvocalen gehouden werden, zijn daaruit, volgens hem , door klankverzwakking ontstaan.

Bij deze beschouwing wordt natuurlijk het aantal oorspronkelijke wortels uiterst gering, en daaruit volgt dan eensdeels, dat de woorden der Indogermaanscbe grondtaal reeds uit samengestelde, schoon eenlettergrepige en onbuigbare, wortels moeten voortgekomen zijn, zooals dan ook door Fick zelf in zijn wortelwoordenboek wordt aangenomen; andersdeels leidt dezo beschouwing van zelf tot eene berekening van het aantal mogelijke wortels, waaruit alle Indogermaansche woorden zouden zijn af te loiden. Neemt men aan, dat alle verbindingen van medeklinkers, ook vóór aan de wortels, op samenstelling wijzen (ska = sa + ka), dat alle klinkers zich uit de a of uit de halfklinkers j en w konden ontwikkelen, en dat er oorspronkelijk, behalve do drie vloeiende klanken (drie, want l kon uit r ontstaan geacht worden) en den sisklank, ook maar ééne labiaal, ééne dentaal en ééne gutturaal zou geweest zijn , dan kon men met Hkinricu Dietrich Müllek tot de verrassende uitkomst geraken , dat de stamvader der Indogermanen eens over niet meer dan tien woorden beschikte, die hij echter alle tien heeft moeten scheppen, namelijk a, ka, ta, pa, ma, na, ra, sa, ya, ua »). Dan zou men slechts behoeven te beproeven (en voor één' der wortels

I (Güu'e 1879^ ' De' i,Hh"jen"""ische Sprachbau in seiner Entwicklunff

Sluiten