Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tels , en den wortel skad gaat ontleden in ska -(- da, beweegt zich in eene richting, die op dat tijdperk moet uitloopen, zonder dat het mogelijk is, den weg behoorlijk met mijlpalen af te meten, omdat, waar de geschiedenis ophoudt, chronologie niet anders dan eene wijze van voorstellen is.

Totnogtoe spraken wij van taalwortels alsof het alleen klankwortels waren , en wortels als die van H. ü. Müller zijn ook inderdaad niets meer. Beschouwt men echter de wortels als de woorden van den voortijd, dan moet men er ook krachtens het begrip, dat wij aan „woorden" hechten, eene beteekenis aan toekennen, zooals trouwens ook terecht voor de geabstraheerde wortels wordt gedaan. Dat maakt het onderzoek naar de wortels nog oneindig veel moeielijker, want het wordt er een onderzoek door naar de grondvoorstellingen der menschen , hetzij in den tijd onmiddellijk voorafgaande aan de Indogermaansche grondtaal, hetzij in den tijd, toen de mensch zich het eerst mensch toonde door voorstellingen te vormen en in woorden uit te spreken.

Moet men aannemen, dat die voorstellingen uiterst vaag en algemeen of dat zij uiterst bepaald en dan natuurlijk door een zeer gering aantal indrukken gewekt zijn geweest ? Waren het voorstellingen van bepaalde innerlijke gewaarwordingen, geluiden, voorwerpen , handelingen en betrekkingen, of waren het voorstellingen van de klassen, waartoe deze behoorden, dus voorstellingen van species of genus?

Die vragen zijn ook al op zeer verschillende wijzen beantwoord. Zooals wij zagen, gaven Epicurus en Lucretius reeds in ouden tijd aanleiding om den oorsprong der taal in gevoelsklanken en klanknabootsing te zoeken, en de aanhangers van Darwin doen hetzelfde. Daar wij echter in die gevoelsklanken en klanknabootsingen vóórdat zij als middelen ter uitdrukking eener voorstelling werden aangewend nog geene eigenlijke woorden mogen zien, zullen wij onze vraag aldus moeten stellen: welke van de aangenomen klassen van rededeelen is de oudste?

Lambert ten Ka.te antwoordde daarop: het werkwoord, want hij hield den wortel daarvan „voor den oppersten trap van afleiding" J), en Jacob Grimm nam die stelling van hem over, daar, volgens hem, de innige samenhang van den bouw der Germaansche talen met de

1) L. ten Kate, Aanleiding, Amst. 1723 II bl. 13 vlg.

Sluiten