Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

plaats het voortbrengen van den klank, waardoor hij tot het werkwoord kwam x) Bilderdijk zag in de oudste woorden de namen van blijvende of voorbijgaande hoedanigheden (dit woord op te vatten in den zin van het Duitsche Erscheinungen), dus van adjectiva en verba, waaruit eerst later de substantiva voortgekomen zouden zijn 2).

Theodore Benfey noemt de wortels primitieve verba, in verband tot zijne theorie, dat allo Indogermaansche suffixen uit den uitgang anti van den derden persoon meervoud ontstaan zijn, die dan weder den uitgang anl van het tegenwoordig deelwoord, den oudsten vorm van een naamwoord , zou hebben opgeleverd. Die suffixentheorie, waarop het aannemen van primitieve verba wel hoofdzakelijk berust, heeft met recht bestrijding gevonden, en voor eene andere flecteerende taal, zooals het Semietisch, zou men er ook zelfs geenen schijn van juistheid aan kunnen geven. Doch ook zonder de suffixentheorie van Benfey aan te nemen heeft menigeen in verbaalwortels de oudste woorden gezien, zooals Sciileicher en bij ons Brill, die blijkbaar onder den invloed van den Griekschen naam voor het werkwoord, pr,fMt (d. i. eigenlijk „gezegdewoord") en de onjuisto vertaling daarvan, verbum (d. i. „woord" in 't algemeen), waardoor derhalve het werkwoord als hoofdwoord van den zin, als het woord bij uitnemendheid, werd opgevat, aldus redeneerde: „het woord drukt alleen do gedachte, d. i. een oordeel over een voorwerp uit en daarbij behoefde het voorwerp zelf aanvankelijk niet uitgedrukt te worden: het noemde als het ware zich zelf door zijne aanwezigheid: alleen de gedachte over het voorwerp moest uitgedrukt worden en de klank, welke van het denken getuigde en wel is waar van zelf de waargenomen hoedanigheid of werking vertegenwoordigde, doch geenszins tot herkenningsteeken van die hoedanigheid of werking moest dienen, maar strekte om de in het brein voltrokken verbinding van die hoedanigheid of werking met het voorwerp te kennen te geven, die klank bezat al het kenmerkende van het woord, hetwelk wij werkwoord hecten" 3) Later dan het werkwoord, maar daarnaast, ontstond het voornaamwoord. „Werd het voorwerp der gedachte," zoo gaat Brill voort, „door een gebaar aangeduid en ging die aanduiding met het uitbrengen van eenen klank gepaard, dan was het voornaamwoord

i) J. Ch. Adelung, t.a.p 1 Einl. p. XVII.

') W. Bilderdijk, Verhandeling over de Geslachten der Naamwoorden, za

dr. Amst. 1818 bl. 30—35.

•) Dr. W. G. Brill, Taalgids III (1861) 1)1. 200 vlg.

Sluiten