Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geboren." Uit het werkwoord ontstonden dan verder de zelfstandig en bijvoeglijke naamwoorden en bijwoorden, welke laatste trouwens ook uit voornaamwoorden konden voortkomen en zelf do bron werden van de voorzetsels, terwijl uit voornaamwoorden en bjjwoorde. lijke uitdrukkingen do voegwoorden ontstonden. Op deze wijze stelde Zlch de genetische opeenvolging der rededeelen voor.

Begrijp ik Brill goed, dan bedoelt hij: de eerste woorden gaven het zoo zijn van een ongenoemd , maar desnoods aangewezen voorwerp te kennen, en dat doen wij nu door middel van werkwoorden of koppelwoorden met praedicaatsnomina: dus waren de oudste woorden ook werkwoorden. Afgezien nu nog hiervan, dat wij een verzwjjgen van het gepraediceerde voorwerp noch noodzakelijk, noch zelfs waarschijnlijk mogen achten , veronderstelt deze verklaren bij den oudsten mensch niet slechts voorstellingen, maar ook gedachten en oordeelen in den logischen denkvorm van den historischen tijd en voor die veronderstelling is geene voldoende aanleiding; integendeel mag men aannemen, dat, daar voorstellen het objectiveeron van indrukken is, de oudste voorstellingen ook het onderscheid tusschen ik en niet-ik, tusschen subjectieve en objectieve indrukken zullen geleerd hebben, b.v. het onderscheid tusschen het pijngevoel en het beeld van een dier. De voorstelling pijn beteekendo dan niet Xk M PVn> maar 8af a»een te kennen, dat men niet eene voorstelling had uit de reeks van voorstellingen, waartoe do voorstelling dier behoorde. Zoo kau dan liet onderscheid tusschen slaan en zien slaan eer in de voorstelling bestaan hebben, dan het onderscheid tusschen slaan en dier: m.a.w. de voorstellingen binnen en buiten, tk en hij kunnen ouder zijn, dan do onderscheiding tusschen voorstellingen van voorwerpen en van bewegingen of hoedanigheden.

« natuurvolken toonen soms eene grootere verscheidenheid van woordvormen op het gebied van sommigo voorstellingen, dan de Indogermaanse talen, terwijl zij op meer dan één ander gebied zich met éen zelfde woord voor verschillende voorstellingen moeten behelpen, en waarschuwen ons dus, dat wij niet al te spoedig die soort van voorstelling voor do meest oorspronkelijke moeten houden die in do ons bekende talen het meest op den voorgrond treedt en' door hare rijke ontwikkeling het meest van belang schijnt.

L. A. te Winkel, dio van Brill verschilde in zijne opvatting van de beteekenis der taalwortels, noemde ze, in aansluiting aan Steinthal „uitdrukkingen van geheele, onopgeloste gedachten, waarin

Sluiten