Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

of Pott ook al eene afzonderlijke klasse voor de praeposities wil aannemen , daar hij de praeposities als zoodanig niet kenmerkend van do pronomina onderscheiden acht, maar alleen er aan wanhoopt , of men wel ooit de Indogermaanscho praeposities met de pronomina in een bevredigend verband zal kunnen brengen. Zoo zou men ook kunnen meenen , dat de telwoorden in het Indogermaansch tot geene der beide klassen behooren, omdat men totnogtoe hunnen oorsprong niet kent; doch daaruit volgt nog niet, dat zij onmogelijk van eene der beide wortelsoorten zouden kunnen afkomen.

Wèl zou men Berthold Delbrück ') gelijk kunnen geven , als hij nog eene derde klasse van wortels vermoedt: die der uitingen van innerlijke gewaarwordingen , welke dan reeds vóór het eigenlijk spreken , als gevoelsklanken , hebben bestaan en nu de klasse der tusschenwerpsels vormen, maar die toch ook de kiem van woorden geweest zijn , ja zelfs in den historischen tijd nog wel gediend hebben om er nieuwe woorden van af te leiden. Zoo maakten de Grieken het werkwoord at&fyiv (jammeren) van ai; het Lat. cachinnus (schaterlach) is , evenals het Mnl. scach , wel ontstaan uit het lachgeluid , evenals ons gichelen. De smartklank wee (ook Lat. vaè) is niet alleen een substantief geworden, maar ook de wortel van weenen en weinig, zooals in het Nieuwhoogduitsch de klank ach tot de vorming van lichten (ach zeggen) aanleiding gaf. De kreet hei, hui (ook Lat. hen, eheu) zal wel voor den wortel van ons huilen mogen gehouden worden, evenals van 't Ohd. hiuwilón (zr jubelen) ; en de jüch kreet der vreugde voor den wortel van het Mlid jüchezen (Nhd. jauchzen , NI. juichen), waarnaast in 't Vlaamsch jui, ju, juut inde samenstelling jutegouw tot de vorming van een werkwoord jutegouwen (de boeien roepen) meewerkte Yan foei maakten wij verfoeien , van den sarrenden triomfkreet jouw (ook als substantief in gebruik) het werkwoord uitjouwen. De sisklank, waarmee men zijne begeerte naar rust en kalmte te kennen geeft, deed zoo ook het werkwoord sussen ontstaan, terwijl daarentegen het opwekkende en aansporende ei, als aai uitgesproken , den naam gaf aan de begeleidende beweging van het aaien.

Wij hebben dus, dunkt mij, wel het recht de oudste woorden (of wortels) in drie klassen te onderscheiden: le. uitingen van de inner-

') B. Delbrück, Einleitung in das Sprachstodium, Leipzig 1880 (3de dr. 1893 p. 91).

Sluiten