Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

daar naufragium in dezelfde volgorde als ons schipbreuk (Ohd. scefprohho), caprimulgus (evenals geitenmelker), florilegium (evenals bloemlezing), carnivorus (evenals vleeschetend), magnanimun (evenals grootmoedig), enz.; en wanneer men als bij uitzondering in het Latijn eene samenstelling in omgekeerde volgorde vindt, zooals motacilla (letterlijk ons uip*taartje) denkt men aan navolging van het Grieksch, dat door samenstelling een ontzettend rijken woordenschat gevormd heeft, maar bij voorkeur den soortnaam vooraan plaatst, zooals o. a. blijkt uit <ptXkSiA<psq (broederlievend, eigenlijk dus liefbroederig), !ptXs<r;tp;<; (wijsheidlievond), ipi/MvSpuirss (mensehlievend), (zanglievend;, (piXcpiXsq (vriendlievend) en talrijke andere met <pi\s (lievend) samengestelde woorden, tegenover enkele met tpiXr^ (geliefd), dat achteraan staat, b.v. Sno<pikr,q (geliefd bij de goden). Een woord als vx.hfj.3.yj.% (scheepsstrijd) volgt den meer algemeenen regel; daarentegen maakt een woord van |ongere dagteekening als l7r~ixzrxu:q op ons veeleer den indruk van paardrivier dan rivier paard te beteekenen. Talrijke samenstellingen als SsiTtSxtpuav (godvreezend) en ïjw (aardschudder) doen ons denken aan woorden als dwingeland, het Mnl. hancdief en enkele andere, die in het Oudgermaansch niet bekend zijn, maar het eerst in het Nederlandsch en Hoogduitsch der middeleeuwen voorkomen als navolgingen van het Fransch, waarin zij echter als samenstellingen anders te verklaren zijn dan de örieksche woorden. Toch heeft het Grieksch ook weer, evenals het Latijn en Germaansch, tal van woorden, waarbij het eerste lid der samenstelling in objectbetrekking tot het tweede staat, zooals •/.s.pxTCtpépzt; (hoorndrager), yttoypóupoq (aardbeschrijver), tx'.Sxyj>yï~ (knapenleider), TTpy.TYyzq (legeraanvoerder), enz. enz., kenbaar doordat zij het accent niet, zooals bij de andere wijze van samenstelling, zoover mogelijk naar voren trekken.

Dat het Germaansch den soortnaam achteraan plaatst en daarbij den klemtoon op het bepalend woord legt, blijkt reeds uit de oudste ons bekende Germaansche taal, het Gotisch, waarin men bv. undaur• nimats (eten in den ochtend of ochtendeten) kan vergelijken met matibalgs (tasch voor het eten of etenstasch); en gastigóds (goed voor de gasten) met gódakunds (uit een geslacht, dat goed is). Voor onze taal zijn kenmerkend woorden als vaderhuis en huisvader, blauwbleek en bleekblauw, schooljongen en jongensschool, woordenboek en boekenu-oord, waarbij op te merken is, dat do drie laatstgenoemde woorden het eerste lid der samenstelling in den meervoudsvorm hebben en dus eenigszins van de andere afwijken.

Sluiten