is toegevoegd aan je favorieten.

Inleiding tot de geschiedenis der Nederlandsche taal

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

koppeling. Merkwaardig echter is het, dat nu en dan, als door atavisme, de neiging tot agglutineeren opnieuw ontwaakt bij individuen en in bepaalde kringen niet alleen, maar ook tijdelijk bij geheele volken, blijkens de vorming van enkele dergelijke woordcomplexen, ja zelfs, doch bij uitzondering, blijkens de vorming van zóóvele woorden, dat aan eene hebbelijkheid tot agglutineeren niet kan getwijfeld worden.

Voor dat laatste kunnen de Romaansche volken en met name de Franschen getuigen. Bij hen smolten te eeniger tijd verschillende woorden tot één enkel partikel samen en ontstonden, bij de Italianen indintorno, insieme (= in simul, vgl. insgelijks), allora (— adillam-horam, vgl. aanstonds), ook in 't Fransch ensemble en alors, en verder bij de Franschen: tout-a-coup (— alles in één slag, vgl. eensklaps), environ (— en viron , in eenen kring, vgl. omtrent), désormais (z= de-ipsa-hor a-mag is), dorénavant (= de-hora-in-ab-ante, vgl. van stonden aan), aujourd'hui (=. ad-illum-diurnum-de-hodie, vgl. heden ten dage) en, als voorbeeld van eenen tot een enkel woord samengesmolten volzin, peut-être, te vergelijken met ons misschien uit masschien en dat uit een ouder, in 't Mnl. nog voorkomend machscien (= kan geschieden), waarnaast in 't Mnl. ook een machlichte (= het kan licht zijn) bestond. Van deze soort zijn ook onze woorden maar (voor neware, d. i. het ware niet, Mhd. newaere, Nh. nur), tenzij, tenware (= het zij, het ware niet), hetzij en weliswaar.

Door agglutinatie ontstond ook het Fr. pronomen (rnoi) mé me voor meïsme uit medisme (Ital. medesimoi) en verder uit medipsimo voor metipsissimo, superlatief voor metipse, waarvan met eigenlijk bij me (mij) behoort en ipse alleen reeds de beteekenis van même heeft. Zoo zijn er in de Romaansche talen ook substantieven ontstaan door de aaneenplakking van twee door een voorzetsel verbonden substantieven , b.v. Spaansch hidalgo (= hijo d'algo, d. i. zoon van iets), Ital. tornasole (d. i. die naar de zon draait, zonnebloem), saltim• banco (d. i. dio o^de banken springt, koorddanser), fiordaliso (bloem van lelie), ook in 't Fransch fleur-de-lis, chef-d'oeuvre (meesterstuk van werk), clin-d'oeil (blik van oog), arc-en ciel (boog in hemel), vers-h-soie (worm voor zijde), en ook imperatieven als vol au-vent (vlieg in den wind) en passe-par-tout (ga heen door alles). Wij kennen zoo in onze taal spring •in-1- veld, vergeet-mij-niet (beide ook in 't Hoogduitsch) en met bijgevoegde soortbepaling kruidje-roer-mij-niet

Dr. Jan te Winkel , Geschiedenis der Nederl. taal. 7