Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ling, waaraan de mensch, meestal onwillekeurig, soms ook opzettelijk, zijne nieuwe samenstellingen gelijkvormig maakt. Die typen geven aan de verschillende talen haar eigenaardig karakter en maken het mogelijk, van eene historische ontwikkeling der talon te spreken. Terwijl zij de individueele vrijheid tot taalvorming aan banden leggen, schenken zij aan het verleden een overwicht over het heden, waartegen niemand zich straffeloos kan verzetten. Even gemakkelijk als het is, naar analogie van erkende typen nieuwe samenstellingen in te voeren (en het gemakkelijkst naar de meest voorkomende typen), even moeilijk is het, enkele op zich zelf staande spraakgewrochten tot typen te verheffen of woorden ingang te doen vinden, die aan geen enkel type beantwoorden. Zoo zullen in de Indogermaansche talen met haar zoo rijk vertegenwoordigd type van samenstelling, waarbij hot eerste lid eene bepaling van het tweede is, wel niet licht syntactische agglutinaties den boventoon gaan voeren.

Toch moet men zich niet verbeelden, dat buiten invloed der Komaansche talen, in het Germaansch geene syntactische agglutinatie zou voorkomen. Zelfs het ouder Indogermaansch kende dat verschijnsel reeds, ofschoon slechts bij weinige woorden en in enkele bepaalde gevallen, die bovendien ook nog aan het algemeen type der Indogermaansche samenstelling beantwoorden, Vooreerst kon eene genitiefbepaling, vóór het bepaalde woord geplaatst, zich daarbij zóó nauw aansluiten, dat de syntactische verbinding een samengesteld woord werd. In het Sanskrit mogen vormen als vigdmpati (mannenbeheerscher) ook wel in twee afzonderlijke woorden geschreven worden, en in het Latijn moge men soms voor woorden als legislator (wetgever), aquaeductus (waterleiding), senatusconsultum (senaatsbesluit) en jurisconsultus (rechtsgeleerde) de schrijfwijze in twee woorden aanbevelen, te ontkennen is het wel niet, dat zij in den geest van hen, die zo gebruikten, eene eenheid vormden. Zoo zijn ook in 't Grieksch woorden als Siówo/iot (knapen van Zeus) en K'jvógoupoc (hondenstaart) ongetwijfeld samenstellingen, en in het Germaansch is dat soort van samenstellingen hand over hand toegenomen. In het Gotisch zijn ze nog zeldzaam, maar in woorden als thrutsfill (melaatschheid) en baurgstcaddjus (stadsmuur) is het eerste lid toch stellig een genitief. In het Oudhoogduitsch daarentegen komt het eerste lid al zeer dikwijls in den genitief singularis of pluralis voor , bv. windisprüt (windsbruid, als mythologische naam), haninfuoz (hanenvoet, als plantnaam), wascónólant (Baskenland),

Sluiten