is toegevoegd aan je favorieten.

Inleiding tot de geschiedenis der Nederlandsche taal

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

menniscónsune (menschenkinderen). Zoo ook in het Angelsaksisch en Oudnoorsch; maar eerst het Middelhoogduitsch en het Middelnederlandsch begonnen rijk te worden aan zulke samenstellingen , waarvan het aantal in het Nieuwhoogduitsch en Nieuwnederlandsch nog aanmerkelijk is toegenomen.

Kan men dusj niet ontkennen, dat er vrij wat syntactische agglutinaties in het Germaansch bestaan, voor den Nederlander en Duitscher blijft toch de verbinding van woordstammen, of voor den lateren tijd onveranderde woorden, de eigenlijke wijze van samenstelling , waar tegenover deze oneigenlijk wordt genoemd '). Die door de grammatici ingevoerde naam is allesbehalve willekeurig, maar berust op het algemeen taalgevoel des volks. Zoo weinig toch wil het van dergelijke samenstellingen weten, dat het de bestaande niet eens meer als zoodanig herkent, maar in s en en van den genitief veeleer verbindingsklanken dan buigingsuitgangen ziet, al kent het die buigingsuitgangen ook wel buiten samenstelling. Vandaar dat het ze ook gebruikt bjj nieuwe samenstellingen met woorden , die ze in den genitief niet aannemen, zooals moederskind (tegenover de oudere samenstelling moederliefde), vrouwspersoon (tegenover het oudere vrouwmensch), zielskracht en zielenadel (tegenover zielmis en zieleleed) of zelfs bij woorden, die volstrekt niet in genitiefsbetrekking tot elkaar staan, zooals heerenboer (tegenover heeroom), scheidsmuur (tegenover scheikunde), leidsman (tegenover leidraad), raagshoo^ (tegenover ragebol), doodsbleek (tegenover doodziek). Met de als e uitgesproken en van het meervoud gaat het evenzoo. Het onderscheid in oorsprong tusschen die e en de e van den stam bij andere samenstellingen voelt men althans bjj vele woorden niet meer.

Een tweede geval van syntactische agglutinatie in het Indogermaansch is de verbinding van het adjectief met hot bepaalde substantief tot één woord. Het Latijn levert er slechts een paar voor-

) De Hr. J. H. van den Bosch zou, in een overigens lezenswaardig opse „ vei samenstelling ; Taal- en Letteren 111, bl 145, zeker niet tegen de gewsne onderscheiding van eigenlijke en oneigenlijke samenstelling te velde getrokken zijn, als hij aan de werkelijke beteekenis dier woorden had gedacht zooals zij bv. geformuleerd staat in Grimm's Deutsche Grammatik 11 (ed.' W. Scherer , Berlin 1878), p 386 vlgg Door die onderscheiding te maken was men een heel eind verder gekomen, om het karakter der samenstelling te begrijpen: wie haar uitwischt, keert tot een sinds Grimm verouderd standpunt terug.