Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beelden van , waarbij zelfs, als bewijs te meer voor de onregelmatigheid, het adjectief achteraan staat, namelijk respublica enjusjurandum; en deze hebben zelfs de verbuiging der beide deelen behouden, zoodat zij in den genitief reipublicae en jurisjurandi luiden. Dat zelfde eigenaardig verschijnsel treft men ook aan bij unusquisque, evenals bij onze pronomina degene en dezelfde, waarvan wij de beide deelen aaneenschrijven, ofschoon wij elk afzonderlijk verbuigen. Ook in 't Fransch zijn er eenige oneigenlijke samenstellingen, waarvan beide deelen den meervoudsuitgang aannemen, als loups-garous, chouxfleurs, basses-tailles (tegenover grand'mères\ of het eerste lid, als che/s-d'oeuvre, terwijl beide deelen ook bovendien den vrouwelijken vorm aannemen als men spreekt van des femmes sourdesmuettes.

Zou men nu deze woorden, waarbij men nog duidelijk de deelen der samenstelling als afzonderlyke woorden gevoelt, wel samenstellingen mogen noemen ? Ongetwijfeld , want men gevooelt ook, dat de doelen inniger bij elkaar behooren dan andere woorden, die in dezelfde syntactische betrekking tot elkaar staan , en dat gevoel is geene inbeelding maar heeft een reëelen grond. Respublica toch is niet „staatszaak", zooals pecunia publica „staatsgeld" is : het is de staat zelf; jusjurandum is niet „het te bezweren recht", maar de eecl zelf. Met elkaar hebben die woorden eene andere eigenaardige beteekenis aangenomen, dan zij ieder op zich zelf zouden hebben, wanneer zij weder met andere woorden voor een oogenblik verbonden werden. Gewoonlijk is die beteekenis enger, meestal overdrachtelijk. Zoo is b.v. in onze taal eene hoogeschool niet iedere school, die hoog is, maar bepaaldelijk de universiteit; zoo is koudvuur mat ieder uitgebluscht vuur, maar eene ontsteking, waarbij het vleesch als het ware verbrandt zonder hitte; zoo is stadhuis niet ieder huis van eene stad, maar het raadhuis. Deze drie voorbeelden hebben bovendien nog deze eigenaardigheid met elkaar gemeen, dat zij den klemtoon op het laatste lid hebben, in strijd met den reeds vermelden regel, dat in het Germaansch het eerste lid eener samenstelling geaccentueerd is. Er was aanleiding voor de eerste twee woorden om van den regel af te wijken. Immers ook buiten samenstelling zou de vorm gelijk zijn, en bij gelijken klemtoon zou er dus verwarring hebben kunnen ontstaan, terwijl samenstellingen, waarvan het eersto lid den stamvorm heeft, die in ouderen tijd nooit anders dan als vocatief voorkwam, zich terstond reeds door dien stamvorm

Sluiten