is toegevoegd aan je favorieten.

Inleiding tot de geschiedenis der Nederlandsche taal

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

woord oudtijds kornel luidde en men er dus eene afleiding van kom (nu hoorn) in kan zien. Zoo ook zjjn wezel, wafel, enz. alleen afleidseis op el voor wie do uit onze taal verdwenen grondwoorden kent. Ook de beteekenis van het achtervoegsel is voor ons hedendaagsch taalgevoel niet duidelijk meer. Dat klepel een werktuig is om te kleppen, gordel om te gorden, gevoelt men nog wol, maar niet meer, dat druppel eigenlijk een kleine drop, stengel eigenlijk een kleine stang is. Als verkleiningsuitgang heeft el dus Opgehouden te bestaan, als middel tot vorming van werktuigen opgehouden te leven.

Evenzoo ging het met el als suffix tot vorming van adjectieven. De Oudgermaansche talen kennen zulke adjectieven op al, il of ul in groot aantal. Het Gotisch heeft leitils (luttel), mikils (groot Mnl, mekel, Grieksch fxeyxA-), ubils (euvel), skathuls (schadelijk), slahuls of slahals (tot slaan geneigd) en , met syncope der vocaal, agls (schandelijk) en ainakls (eenzaam). Het Oudhoogduitsch, Angelsaksisch en Oudsaksisch kennen er zeer vele, maar reeds in het Mid • delhoogduitsch en Middelnederlandsch nemen zij in aantal af. Toch zou men uit onzen middeleeuwschen taalschat er nog vrij wat van kunnen bijeenbrengen, die nu uit onze taal verdwenen zijn, zooals snodel, stotel, wankel, vergetel, verstandel, behagel, costel, aenhangel, ecuwei, enz. Tegenwoordig kennen wij o.a. nog dartel, ijdel, kregel, kreupel, onnoozel, schamel, vermetel, wankel', maar daarom zijn de middeleeuwsche adjectieven nog niet geheel verdwenen: men heeft er slechts den meer gebruikelijken uitgang lijk achter gevoegd en dan do dubbele l in 't schrift met ééne l afgebeeld, waardoor dan de samengestelde uitgang elijk ontstond bij woorden als aanstootelijk, onvergetelijk, verstandelijk, behaaglijk (voor behagelijk), kostelijk, aanhankelijk, afschuwelijk.

Evenals op deze wijze de samengestelde uitgang elijk ontstond, ontstonden er ook andere samengestelde suffixen, als eling, enis(se) en sel. Door, in ouden tijd, achter afleidsels met het suffix s den uitgang el te voegen, kreeg men het samengesteld achtervoegsel sel, b.v bij wissel (Os. wehsal), eerst door s afgeleid van weh (vgl. Lat. vic-, dat wij nog in de uitdrukking vice versa „beurtelings heen en terug" kennen) en later van het suffix al voorzien. In het Hoogduitsch, waar het suffix meestal niet sel geworden, maar sa l gebleven is, heeft zich door achtervoeging van het suffix ig, dat umlaut veroorzaakte, een nieuw samengesteld suffix selig gevormd, dat natuurlijk telkens gevaar liep met het adj. selig (ons zalig) verward te