Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

drio met onverkorte d, zooals men in het Ohd. ook wel kent, of met verkorto a, zooals in het Gotisch, aan het Latijn heeft ontleend 1), ot dat in het Latijn de uitgang rio gevoegd is achter grondwoorden, eindigend met lange, in 't Gotisch achter grondwoorden uitgaande op korte a. En ook aannemende, dat het Germ. aria of aria aan 't Latijnsche drio ontleend is en er niet aan een suffix d -j- rio behoeft gedacht te worden , staan wij toch nog voor de vraag of drio wel een enkelvoudig suffix zou zijn en niet veeleer samengesteld uit dr -(- io. Men begrijpt, dat die vraag ook rijst bij andere schijnbaar enkelvoudige suffixen, bv. bij ons el uit ouder aio {oio), ilo of ulo , dat weder in o -j- lo enz. of in ol -f- o te ontleden is, waaruit dan weer volgt, dat van het samengesteld suffix sel (d. i. salo of solo) ook zal moeten uitgemaakt worden, of het bestaat uit s + 0 + 1° of uit s -|- ol -(- o of eenvoudig uit so -j- lo. Dit onopgelost (moet ik zeggen: onoplosbaar ?) vraagstuk voert ons onwillekeurig naar de geheimzinnige wortelperiode en de quaestie van den oorspronkelijken vorm der wortels. Dat overigens ook de aan het consonantisch suffix voorafgaande klinker van epenthetischen aard kan zijn, bv. ontstaan door svarabhakti of het sonantisch karakter der liquidae en nasalen, maakt de oplossing van dit vraagstuk niet gemakkelijker.

Door de ontleding der suffixen nu komen wij er toe — en ik bepaal mij hier tot de afleidingsuitgangen der naamwoorden — voor het oudste Germaansch twee soorten van suffixen aan te nemen: vocalische en consonantische, de laatste gewoonlijk nog weer door eene vocaal gevolgd. Als vocalische neemt men aan lo. a uit ouder 8 (ook Idg. 8) bv. bij Got. akr(s), akker (uit akr-a-z, Grieksch ayp-ó-g), ook door j en w gewijzigd tot jü en ivit uit ƒ8 en icö ; 2o. ó (Idg. d), bv. bij Got. ahwa , water (Lat. aquü uit ouder aqud , waaraan een Got. ahwó zou beantwoorden), ook door j en w gewijzigd tot jó, tcó. 3o. ï, bv. bij Got. ga$t(s), gast (uit yast-ï-z, Lat. host-i-z) en -lo. ti bv. bij Got. faihu, vee (Lat. pecu).

Alle consonanten doen in 't Germaansch , evenals in 't Indogerm., als suffix dienst. De suffixen b t p t f zijn echter zeldzaam er nu als zoodanig niet meer herkenbaar , evenmin als die met het «-suffix, omdat die z al voor overouden tijd op 't eind van de woorden is afgevallen en in 't midden tot r is overgegaan. Daar de woorden

') Zie Sütterlin, Nomina agentia im Germanischen, Strassburg 1887, p. 77 ff.

Sluiten