Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geval kunnen blijken door een onderzoek naar al de woorden, waaraan het ontleend werd, maar waarschijnlijk ook dan nog niet eens.

Misschien zijn er nog ©enige ouden van dagen , die den tijd beleefd hebben, dat een ander , meer poëtisch antwoord op de vraag naar den oorsprong der suffixen velen bevredigde. Het was het antwoord, dat, tegenover de oudere, zuiver mechanische voorstelling , die wij zoo even vermeldden , het eerst gegeven is door Friedrich Schlegel ') en later door vele, ook uitstekende taalgeleerden als August Wilhelm Schlegel, Christus Lassen, Carl Ferdinand Becker , en het laatst, in gewijzigden vorm, door Rüdolf Westpiial 2) is herhaald, evengoed ter verklaring van de buigings- als van de afleidingsuitgangen.

Schlegel zag in de volledige, van suffixen voorziene woorden organismen en vergeleek ze bij boomen. De oorsprong der woorden was als het ware gelegen in don levenskrachtigen zaadkorrel of wortelkiem, die wortel schoot in den grond en waaraan dan de stam (d.i. het woord met den afleidingsuitgang) ontsproot. Uit dien stam sproten nieuwe takken en vertakkingen als secundaire suffixen en bloemknoppen als buigingsuitgangen. Tot vrucht ontwikkeld , vielen ten slott6 do buigingsuitgangen als rijpe vruchten van de takken om zelfstandig als pronomina voort te bestaan. Die laatste voorstelling berustte op de overeenkomst tusschen pronomina en buigingsuitgangen, die Franz Bopp er toe geleid had in de verbogen woorden samenstellingen met pronomina te zien.

In aansluiting aan deze „evolutietheorie", zooals zij genoemd wordt, nam Westphal de vocalen a, i, u als oudste suffixen aan, die zich dan ontwikkelden, eerst door voorvoeging van nasalen of dentalen tot na , ta , enz., en vervolgens ook door voorvoeging van liquidae tot ra, la, enz. Hoe men zich nu die voorvoeging moest denken, blijkt niet. Tiieodor Benfey bracht alle suffixen tot één grondsuffix terug, namelijk het uit den meervoudsuitgang van den derden persoon , anti, voortgekomen suffix ant van het tegenwoordig deelwoord. Het spreekt van zelf, dat, om die theorie te kunnen ontwikkelen, allerlei onbewezen klankveranderingen moeten aangenomen worden.

Mijn hoofdbezwaar tegen deze evolutietheorie is niet hare dichter-

') In zijne werk Ueber die Sprache und Weisheit der Imlier, Heidelb. 1808. ') In zijne werken: 1'hilosophisch-historische Orammatik der deutschen Sprache, Jena 1865, en Methodischer Grammat ik der griechischen Sprache, Jena 1870.

Sluiten