Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

perzich sjva of hva, Gr. <n, later c, den stam van het met het personaalpronomen nauw verwante reflexief pronomen, Skr. sva, Lat. se, Got. sik, ons zich. Het behoeft wel geen betoog, dat deze verklaring van de naamvalsuitgangen aan grooten twijfel onderhevig is, ofschoon het op zich zelf zich zeer goed laat hooren, dat eene uitdrukking als b.v. in 't Gotisch fisk sa — die of de visch, met achteraangeplaatst lidwoord , zooals nog in het Deensch, kan geworden zijn tot eene samenstelling fisksa en vervolgens tot fisks. Kan men nu begrijpen, dat zoo iets in het betrekkelijk jonge Gotisch mogelijk had kunnen zijn, des te eer zal men een dergelijk verloop voor het Oerindogermaansch kunnen aannemen. Bepaald verkeerd is Bopp's verklaring van den uitgang (Skr. t, Oudlatijn d) van den Ablatief, en van de Indogerm. d (vgl. Skr. id-am, Lat. id), Germ. t (vgl. Got. ita, NI. '<) van den Nom. en Acc. Sing. der onzijdige pronomina en sterke Germaanschc adjectieven als samenhangend met den stam to van het demonstratief pronomen.

Daarentegen houdt men nog vast ') aan zijne meening, dat bij de vervoeging der werkwoorden do m in den uitgang van den eersten persoon enkel- en meervoud mot den stam van het voornw. van den eersten persoon samenhangt, de t van den derden persoon enkelvoud met den stam to van het demonstratief pronomen, en do w van den eersten persoon dualis met den uitgang van den dualis bij het pronomen van den eersten en tweeden persoon. Moeielijker valt het, samenhang van den uitgang van den tweeden persoon enkelvoud der werkwoorden (s) met den stam van het pronomen van den tweeden persoon aannemelijk te maken, schoon Bopp daarin geen bezwaar zag.

Overigens nam Bopp, zooals wij zagen, ook verbaalwortels als oorsprong van suffixen aan; maar voor August schleicher en Georg Curtius waren de suffixen alleen van pronominalen oorsprong, zelfs het suffix tar (ter), dat wij aantreffen bij de verwantschapsnamen in 't Latijn pater, mater, frater, in 't Grieksch nxrrip , f*órr,p , ippkrrip, Sruyj.Trtp, in 't Ned. vader (Got. fadar), moeder (Os, módar), broeder (Got. bróthar) en dochter (Got. dauhtar). Zij ontleedden het ^willekeurig in do twee pronominale elementen ta en ra.

') Zie Karl Brugmann, Zur Geschiehte der Personalendungen in Morphologische Untersuchungen I (1878) p. 133 vlgg., Grundriss der vergleichenden Grammatik II (1892) p. 1330 vlgg., waar men ook de verdere litteratuur over dit onderwerp opgegeven vindt.

Sluiten