Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dat het Indogermaanse!» vóór de scheiding in den mond van allen, die het spraken, volkomen gelijken klank zou gehad hebben, wordt dan ook tegenwoordig door niemand meer beweerd. Niet slechts neemt men — zooals reeds a priori moet gedaan worden — persoonlijke eigenaardigheden, maar ook dialectische verscheidenheden in het nog ongesplitste Indogermaansch aan op grond van hetgeen de taalvergelijking heeft geleerd. De kiem der splitsing, meent men terecht, moet reeds lang vóór de splitsing zelf zijn gelegd, ja ik zou durven beweren , reeds bij het ontstaan zelf van de taal. Vroeger stelde men zich vrij algemeen voor — en die voorstelling is misschien nog de meest gewone — dat de verscheidenheid van klanken, die onze tegenwoordige talen vertoonen, zich uit enkele grondklanken had ontwikkeld. Van de klinkers zou de n dan de grondklank zijn geweest; daarna zouden zich i en u hebben gevormd, veel later ook e en o, eindelijk de vele tusschenliggende klanken, die nu eene zoo breede, fijngeschakeerde klankenrij uitmaken. Ook voor de medeklinkers zouden dan enkele als oorspronkelijk, do andere als wijzigingen van die oorspronkelijke moeten worden aangenomen. Op grond nu van hetgeen de taalgeschiedenis in historischen tijd ons leert en tevens op grond van hetgeen wij uit de klanktaal der dieren en der zuigelingen voor de taal van den oermensch mogen opmaken, geloof ik, dat veeleer het tegenovergestelde heeft plaats gehad en de klankverscheidenheid over het algemeen eer af- dan toegenomen is, al ontken ik daarmee natuurlijk niet, dat in de eene of andere taal zoo nu en dan nieuwe klanken ontstaan zijn , die er vroeger niet in gehoord werden.

Voor den oudsten tijd moet men m. i. vollen nadruk leggen op hetgeen ik typeering van klanken zou willen noemen, en wat ook in de latere geschiedenis der taalontwikkeling niet over het hoofd mag worden gezien. Om te begrijpen wat onder klanktypeering te verstaan is , stelle men zich eene periode in de taalgeschiedenis voor, waarin bv. wel de medeklinkers der woorden bepaald waren, maar de klinkers niet, zoodat hetzelfde woord (dat ik als voorbeeld fingeer) in den mond van den een man, in dien van den ander nun, van een derde inon, enz. kon luiden, dn, én, thi, enz. volkomen gelijkwaardige vormen van hetzelfde woord waren, en ook dezelfde persoon het woord nu eens met den eonen , dan weder met den anderen klank kon uiten, hetzij geheel naar willekeur, hetzij onder den invloed zijner gemoedsaandoeningen. Zóó toch doen ook nu nog de

Sluiten