Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kinderen in hun eerste levensjaar, als zij zich met het voortbrengen van voor anderen onverstaanbare klanken bij hun kinderlijk gebabbel vermaken. Dat zij het klankverschil niet zouden hooren, dat het niet tot hun bewustzijn zou komen, mag men wel niet beweren, want zij schijnen juist een welgevallen te hebben in die klankverscheidenheid ; maar daar zij aan het klankverschil nog geene waarde of beteekenis hechten , hebben zij ook geene aanleiding om de grenzen tusschen de verschillende klanken scherp te trekken, m. a. w. de klanken te typeeren.

Zoo kan men zich voorstellen , dat het ook met het mensehelijk geslacht in zijne kindsheid moet geweest zijn. Gaven tn en n voor den oermensch voldoende de aanvankeljjk zeker nog vrij vage beteekenis van het woord indn aan , dan kon de u evengoed als ao, evengoed als on, evengoed als ó klinken, ja zelfs als } en «ofals alle daartusschen liggende klanken; en wie hem hoorde, vernam slechts klankverschil, maar geene verschillende klanken. Het zal hun daarbij gegaan zijn, als het tegenwoordig nog iemand gaat, die zich nooit in den zang heeft geoefend en evenmin met een door erfeljjkheid ontwikkeld fijn gehoor is geboren : hij kan nauwelijks hooren of een toon rijst of daalt, of hij eenigszins zuiver of geheel onzuiver is , of de afstand van den eenen toon tot den anderen grooter of geringer is dan die van twee andere tonen tot elkaar, enz. En als zoo iemand zingt, dan is het zelfs voor den geoefendsten musicus een heksenwerk, die onzuivere tonen in zijn geheugen vast te houden en ze na te zingen. laat staan ze op schrift te brengen. Eerst do phonograaf zal hem daartoe den weg kunnen banen. Wat nu zulk een ongeoefend zanger op muzikaal gebied is , schijnen mij de dieren op het gebied van de taal. Hun geblaf, gemiaauw, geloei, geblaat, gehinnik volkomen juist na te bootsen, is reeds verre van gemakkelijk, zoodat slechts enkelen er, althans voor hunne ter beoordeeling niet even bevoegde medemenschen, voldoende in slagen; maar het in de phonetische teekens der meest bekende mensclientalen uit te drukken , schijnt onmogelijk, hoe vaak, zelfs reeds van oudsher, beproefd. Do klankbeelden der diergeluiden , die wij kennen , geven er slechts een vaag denkbeeld van, zoowel wegens de onzuiverheid, als ook vooral wegens de onbepaaldheid der klanken, die zoo ver afwijken van hetgeen wij als klanktypen hebben aangenomen.

Bij die diergeluiden zijn het trouwens niet alleen do klinkers ,

Sluiten