Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

't Germaansch i geworden) treffen wjj o. a aan bij malen (uit *molan, vgl. Lat. molo) en meel, bij wagen (uit *icogn, vgl. Gr. oyo<s) en bewegen, bij band (uit *bond) en binden (uit *bendan), bij (dief)stal en het imperf. stal (uit *niol) en stelen, zooals ook bij 't Got. hlaf (= heeft gestolen) en hlifan (— stelen, uit *hlefan); bij steeg (uit staig voor *ttoig, Indogerm. w. stoigh) en stijgen (uit steigan, Indogerm w. steigh); bjj bood (uit baud voor *boud, Indogerm. w. bhoudh) en bieden (uit beudan, Indogerm. w. bheudh). Wisseling van o (NI. oe) met ê (NI. a) zien wij in doen (uit dón, Indogerm. w. dhu) en gedaan , daad (Got. dêds, Indogerm. w. dhê); bij Got. taitök (= nam) en têkan (nemen); bij broeden (uit *bródian, Indogerm. w. bhrödh) en braden (uit brédan, Indogerm. w. bhrêdh.).

Ook in lateren tijd kon hetzelfde woord in twee klankvormen voorkomen, bv. door dialectvermenging of tengevolge van nog niet algemeen toegepaste of naar twee kanten werkende analogiseering; en ook in dat geval had niet zelden differentiëering plaats. Zagen wjj reeds , dat rot in het beschaafde Nederlandsch moet wijken voor rat, toch zal ieder blijven zeggen: een rotie van een kind en zegt niemand een ratje van een kind. Zoo wint schelp het op den dialectvorm schulp, maar in schulpzand, uitschulpen (van een rand goed) is de u nog de gewone klank. Zoo hebben dof en duf, plok en pluk, bol (subst.) en bul (adj.), schol (ijs-) en schol (viach), gouden en gulden, schuw en schouw, rieken en ruiken, klieven en kluiven, snoet en snuit, snoeven en snuiven , soezen en suizen, piepen en pijpen, (uit)sliepen en slijpen verschillende beteekenis gekregen, nadat zij door dialectvermenging in de gemeenlandsche taal zijn opgenomen, evenals dat ook het geval was met vormen als bar en baar, bros en broos, grof en groof, ruw en ruig, waarbij het klankverschil in de werking der analogie te zoeken is.

Dergelijke doubletten zijn er ook in 't Fransch, zooals plier naast ployer (beide uit het Lat. plicare) door invloed der analogie, chaire naast chaise (Lat. cathedra) en cou naast col (Lat. collum) door dialectischen invloed, en chevalier naast cavalier (van 't Lat. caballus), champ naast camp (Lat. campus) door overneming van het laatste woord van ieder woordpaar uit het Italiaansch.

Andere Fransche doubletten verschilden reeds eenigszins van beteekenis vódr zij naast elkaar in het Fransch in gebruik kwamen, namelijk die waarbij naast een van oudsher in het Fransch uit het Vulgaarlatijn ontwikkeld en zoowel in vorm als beteekenis gewijzigd

Sluiten