Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

terwijl van al deze klankovergangen in de laagvlakten van NoordDuitschland evenmin iets te bespeuren valt als in het Nederlandscb. Zou men niet zeggen, dat er verband moet bestaan tusschen de hoogte van Hoog-Duitschland en hot Hoog- of Opperduitsch, de laagte van Neder-Duitschland en bet Plat- of Nederduitsch, waar men met de bergen ook die klankverschuiving in omvang ziet afnemen ?

Niet minder opmerkelijk is het, dat aan de zeekust, in de visschersdorpen van allerlei streken de taal duidelijk afwijkt van die der ook maar zeer weinig daarvan af wonende landbouwers. In ons eigen land vinden wjj daarvan een bekend voorbeeld in het Strandhollandsch der bewoners van Zandvoort, Noordwijk, Katwijk en Scheveningen, dat in hoogo mate verschilt van den tongval der bewoners van Bloemendaal, Sassenheim, Rijnsburg en Loosduinen. Dat aan die zeedorpen o.a. het niet of verkeerd uitspreken der li eigen is, weet ieder, al blijft het verband tusschen die eigenaardigheid en de nabijheid der zee nog duister, en wel te duisterder omdat ook hier en daar in het binnenland dat haspelen met de li wordt aangetroffen en het zelfs aan alle Frankische dialecten van Zuid-Nederland, evenals aan het Zeeuwsch eigen is.

Toevallig is het ook zeker niet, dat het tegenwoordig Landfriesch (met uitzondering van het Hindeloopensch en Schiermonnikoogsch) in twee tongvallen , dien der „klaikers" (bewoners van de kleistreken) en dien der „waldjers" (bewoners der woudstreken of zandgronden) onderscheiden wordt, al zouden voor die verscheidenheid ook misschien historische gronden kunnen aangevoerd worden. Zelfs daar in Friesland wijkt het dialect van enkele visschersdorpen, als Wierura , Péasens en Moddergat, van het gewone Landfriesch af, o.a. door het uitspreken van de oorspronkelijke lange ü als lange t, waarin het overeenstemt met den overigens zeer verhollandschten tongval van Vlieland.

Overigens moet men zich do klankwijziging, ofschoon van individuen uitgegaan, niet voorstellen als gewoonlijk reeds gedurende eenen menschenleeftijd tot stand gekomen, want physiologische wijzigingen hebben eerst zeer langzamerhand en ongemerkt plaats en verliezen alzoo haar individueel karakter, zoodat zij juist daardoor blijvend kunnen worden. Erfelijkheid in den toestand der spraakorganen en opleiding in het spreken door het voorbeeld der ouders werken samen om door het kind het proces der klankwijziging te doen voortzetten, dat vader of moeder begonnen heeft.

Sluiten