Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

leidelijke taalontwikkeling toen reeds de vroegere der opzettelijke taalwetgeving had verdrongen, al heeft die oudere voorstelling wel waarschijnlijk tot het gebruik van het woord „wet" geleid. Daarentegen dachten Grimm en zijne leerlingen tot en met Schleicher daarbij veeleer en in toenemende mate aan het begrip , dat door het woord „natuurwet" voor den geest wordt gebracht. Do jongere taalwetenschap heeft den naam „wet" behouden , maar zich nauwkeuriger dan Grimm en Schleicher nog konden doen, rekenschap gegeven van hetgeen men er onder moet verstaan. Zij heeft begrepen, dat er tusschen wet in de samenstelling „klankwet" en wet in „natuurwet" of „staatswet' evenveel verschil in beteekenis bestaat als tusschen wet in deze beide laatste samenstellingen. Wanneer wij iets eene natuurwet noemen, dan bedoelen wij, dat een zeker physisch verschijnsel zich telkens weer zal voordoen, indien dezelfde omstandigheden, waaronder men het het eerst heeft waargenomen , weder aanwezig zjjn. Zóó uitgedrukt, zou de formule voor natuurwetten misschien ook op de klankwetten van toepassing wezen, althans voor zoover zij van physiologischen aard zijn ; maar van volstrekt physiologischen aard zijn zij zelden of nooit, omdat zij niet als de natuurwetten uitsluitend op stoffelijk gebied werken, maar tot terrein harer werkzaamheid den mensch hebben, d.i. het gebied der bezielde materie. Het gevolg daarvan is, dat de gelijke omstandigheden , die voor de werking der wet noodzakelijk zijn en die zich op het eenvoudig gebied van de stof telkens weer voordoen, op het zooveel meer gecompliceerde gebied der bezielde stof maar uiterst zelden worden aangetroffen. Vandaar dat in dezelfde periode , waarin de menschenwereld eene zoo rijke geschiedenis heeft, van eene geschiedenis der stoffelijke wereld nauwelijks sprake kan zijn. Wat voor zes duizond jaar in de stoffelijke wereld plaats had, heeft er oogenschijnlijk nog steeds onveranderd plaats, terwijl in de menschenwereld zich slechts verwante, uiterlijk cenigszins met de vroegere overeenstemmende verschijnselen voordoen. Een bepaald natuurverschijnsel kan men met voldoende zekerheid verwachten en voorspellen , een klankverschijnsel niet. Eenheid van physiologischen toestand bestaat bij het menschdom niet, bij volken , stammen en kleinere menschengroepen slechts tot op zekere hoogte, eu volstrekte psychische overeenstemming is zelfs bij twee individuen uit den aard der zaak ondenkbaar; ja men kan verder gaan en zeggen: de enkele mensch is zich zelf ongelijk in verschillende oogenblikken van zijn Dr. Jan Te Winkel, Geschiedenis der Ned. Taal. 12

Sluiten