Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te wezen, nadat men had opgemerkt, dat de omstandigheden , waaronder die uitzonderingen voorkwamen, anders waren dan bij de eerstaangenomen wet en dat er dus naast die eerste wet nog eene tweede of derde moest worden aangenomen. Zoo heeft men bv. ingezien , dat er geene reden was, om het eene uitzondering op Grimm's wet te achten, dat de b van het NI. boeg in 't Sanskrit aan eene b, in 't Q rieksch aan eene p beantwoord in plaats van aan eene Indogerm. bh, zooals de wet eischte, want eene tweede door H. Grassmann voor Skr. en Grieksch gevonden wet, die der dissimilatie bij opeenvolgende aspiratie'), leerde, dat de Indogerm. bh van *bhaghus door invloed van de aspirata der tweede lettergreep in 't Sanskrit b (vandaar bilhusj), in 't Grieksch p (vandaar 7TYr/vg) moest worden Zoo moet men ook de wet, dat Indogerm. o in 't Germaansch in a is overgegaan, tegenwoordig , op grond van do in 't oog gevallen uitzonderingen , aldus formuleeren: Indogerm. o is in het Germaansch in lettergrepen met klemtoon tot a overgegaan, terwijl in lettergrepen zonder klemtoon eerst later die overgang heeft plaats gehad, in den historischen tijd en in de verschillende Germaansche talen afzonderlijk en dan nog maar alleen, wanneer er geene m op volgde of de volgende lettergreep geene u of o had.

Bij het aantreifen van uitzonderingen moet men dus in do eerste plaats onderzoeken of de aangenomen klankwet ook te algemeen was geformuleerd en daarom herziening behoeft. Nog voortdurend is de taalwetenschap bezig aan het herzien van de vroeger vastgestelde klankwetten en zij doet dat tegenwoordig met beter gevolg dan vroeger, omdat zij bij physiologische klankovergangen niet meer uitsluitend de feiten registreert, maar door de werking der spraakorganen te bespieden tracht uit te maken, op welke wijze die overgangen kunnen hebben plaats gehad, m. a. w. zich meer op de zoogenaamde phonetiek heeft toegelegd.

Zoo heeft zij bv. door dat alles in aanmerking te nemen de onjuistheid in het licht kunnen stellen van eene vroeger als klankwet met uitzonderingen geformuleerde uitspraak: „aan eene gutturale tenuis in Sanskrit, Latijn, Ealto-Slaviscli en Oud-Iersch beantwoordt in 't Grieksch, Umbrisch en Kymrisch soms eene labiale tenuis." Het feit mogo op zich zelf onbetwistbaar zijn, het con-

i) Het „Hauchdissimilationsgesetz" dooi' H. Grassmann aangewezen in Kulni's Zeitschrift XII (1803) p. 81—138.

Sluiten