Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die uitgesproken worden met buiging van den tongrug togen den achterkeelwand, bv. a, o en a (uitgesproken als NI. oè) gewijzigd tot palatale vocalen, die gevormd worden door buiging van de tong tegen het verhemelte, bv. e, ö (als NI. eu) en ü (als NI. u), en wel zóó, dat in het eigenlijk Duitsch lange en korte et tot a of eene variant van e is geworden , lange en korte o tot ö, lange en korte 11 tot ü. De palatale tongstand, vereischt voor het uitspreken van de gepalataliseerde consonant, heeft zich dus voor het uitspreken der voorafgaande vocaal reeds gevormd en zóó die vocaal gewijzigd.

De korte e, die zelf reeds palataal is, kan door die mouilleering geheel en al in i overgaan en dat is zelfs de oudste algemeen- l Germaansche umlaut, dien wij o.a. aantreffen bij zitten (Os. sittiun, naast zetel, waar de oorspr. e kon blijven, die ook blijkt uit Gr. etyficu, d.i. sedjomai); bij liggen (Os. liggian, naast leger, Lat. lectus, Gr. Xéycc = bed); bij midden (Os. middi voor midji, Got. midjis voor *medjis , blijkens Lat. medius, Gr. /nécrcg en péa-irog); bij is (Os. is en ist voor *isti en dat weer voor esti, blijkens Gr. lor/); bij nicht (Ohd. nift voor *nifti, blijkens Lat. neptis\ Ook de e voor w werd i (vandaar Got. niujis, Os. niuwi uit *newjo; vgl. Gr. véoq); en zoo zal ook reeds vroeger de tweeklank eu bij volgende i of j in iu zijn overgegaan (bv. in Os. dinri uit *deurjó).

Daar ook in den tweeklank ei de e in i overging, is al in het algemeen Germaansch 1) uit de beide i's, die elkaar volgden, ééne lange i ontstaan , want al schrijft Wulfila in zijne Gotische bijbelvertaling daarvoor ei, blijkbaar heeft hij met dat schrijfteeken toch den langen j-klank bedoeld. Zoo werd *steigho- (Gr. (TTityw) tot Got. steigan, Os. stigan. Zoo werd *deiko- (Gr. Stttivufit) tot Got. teihan, Os. tihan, zoo *leikuan (Gr. Aefarw) tot Got. leihwan, Os. lihan, zoo *bheido- tot Got. beitan, Os. bltan; enz. Opmerkelijk is het, dat zich uit die, evenals uit iedere andere, lange i in Nederlandsch, Hoogduitsch en Engelsch veel later weder een tweeklank, de ai, heeft ontwikkeld, die in het beschaafde Nederlandsch ten slotte weer tot ei is geworden, al schrijven wij die ook ij (d. i. i) en al zijn de Engelschen die ook met het i-teeken blijven schrijven, terwijl alleen de Duitschers het ef-teeken gebruiken, ondanks hunne «/-uitspraak.

') Ook in het Latijn, maar eerst in lat eren tijd, daar inscripties in het Oud Latijn, die ei nog vertoonen; vgl. Lat. dico uit deico (Gr. Setttw/ut) , fïdo uit bheidho (Gr. sreö-toj en (koos uit deivos, dat op de inscripties voorkomt.

Sluiten