Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

causa, clore — Lat. claudere) en zelfs de au van eerst later uit het Latijn opgenomen of in spelling naar het Latijn gewijzigde woorden (vgl. cause, pauvre) als o wordt uitgesproken.

In Germaansche talen kan men reeds in de 7de eeuw ê voor ai aanwijzen. In het Oudsaksisch is iedere ai tot ê geworden; vgl. êr, êwig , twê , én , dêl, gêst, têkan, hrêni, hêthin , hnégian, hivêti, dus ook waar de volgende lettergreep eene i had. In dat laatste geval heeft bet Nederlandsch, zooals wij reeds zagen, ei, bv. rein , heiden , neigen , (boek)weit; maar overigens schijnt men te mogen aannemen, dat het Westnederfrankische Nederlandsch steeds ee heeft gehad , bv. eer, eeuwig, ree, twee, een, deel, geest, teeken, reep '). In het Opper- en Middelduitsch (ook Middelfrankisch) en gedeeltelijk ook in het Nederfrankisch (bv. in het Limburgsch) heeft deze monophthongeering zich, naar 't schijnt, bepaald tot die woorden, waar ai door r, w of h gevolgd werd; Ohd. êr, êwig, rêh, terwijl overal verder ei gevonden wordt: Ohd. zwei, ein, teil, geist zeihhan , reif, hreini, heidan , weizzi. Ik vermoed , dat eene volgende dentaal door palataliseerenden invloed de monophthongeering evenzeer verhinderd heeft als eene volgende i of j, en dat de weinige woorden, waarin gutturaal of labiaal zonder volgende i of j na de ai voorkwamen, eerst ê zullen gehad hebben, maar naar analogie van bijvormen met volgende i of j en verder door „ausgleich" de ei zullen hebben aangenomen. Dan zou er overeenstemming zijn met hetgeen bij de monophthongeering van de au tot ó gebeurd is. Terwijl die toch in het Oudsaksisch en ook in het Nederlandsch (Westnederfrankisch) zich regelmatig voordoet, (vgl. Os. óra, hóh , Ion, lus, dódh, ród, grót, gilóbho , hlöpan , rok, óga), is in 't Opper- en Middelduitsch, tot zelfs in Nederfrankische dialecten als het tegenwoordig Limburgsch, de au alleen vóór oorsp. h , r en dentalen gemonophthongeerd (vgl. Ohd. óra, hóh , Ion, lós, tod , rót, gróz); maar voor labialen en gutturalen is de a alleen o geworden , terwijl de u onveranderd gebleven is; vandaar Ohd.: giloubo, louffan , rouh, ougo. Ook van den tweeklank eu, die niet door i-umlaut of volgende n + consonant tot iu geworden was, is de u, althans in 't Opperduitsch, alleen vóór oorspr. h, r en dentalen tot io geworden en vindt men vóór labialen

i) Dat heb ik trachten te bewijzen in den Feestbundel voor Matlliias de Vries , Utrecht 1889, bl. 147—164.

Sluiten