Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(stam tsS) de datief pluralis eerst ToStrt, vervolgens xctti, daarna irecrtri, eindelijk ir:ui In het Hd. is de ts (z) op 't eind van oen woord na eene vocaal reeds gedurende de periode van het Middelhoogduitsch altijd ss geworden : men denke slechts aan de pronomina es (Ohd. ez), das, als voegwoord nog dass geschreven (Ohd. daz) en was (Ohd. iraz, hiraz). Namen wij in onze taal Hoogduitsche woorden met ts (i) over, dan assimileerden wij die klanken steeds, b.v.: grens (Hd. grenze), l;rans (Hd. kram), schans (lid. schanzè), ransel (Hd. ranzel), gansch voor gans (Hd. ganz), malsch voor mals (Hd. malz), walsen (Hd. walzen), hars (Hd. harz), schorsen (Mhd. schiirzen), spies (Mhd. spiez) cn zelfs aan het begin der woorden, als bij sidderen (Hd. zittern), sieren (Hd. zieren), versagen (Hd. zagen.) Ook oorspronkelijke Nederlandsche woorden assimileerden ts tot ss, als hissen (voor hitsen, verwant met haat), hossen (voor hotsen, naast hitsen', vgl. hotten van de melk), beslissen (voor beslitsen , vgl. Mnl. besliten , sliten = afdoen), oudtijds ook splissen (voor splitsen; vgl. splijten) enz.

Eigenaardig Frankisch, vooral Nederfrankisch en ook West-Saksisch (blijkens de Saksische dialecten in ons land) is de assimilatie van chs tot ss, die reeds in de 10de eeuw begon en zich in het Nederlandsch regelmatig voordoet, bv. bjj as (Ohd. ahsa, Lat. axis), bus (Ohd. buhsa, uit het Lat. buxe'ts) , das (diernaam, Ohd. dahs, samenhangend met Gr. téktoov, timmerman), dissel (kuipersbijl, Ohd. dehsala), disselboom (Ohd. dihsala), los (diernaam, Ohd. luh', Gr. Aóy§), os (Ohd. ohso, Skr. uksjan), vlas (Ohd. flahs, vgl. Lat. pleetere, vlechten), was (der bijen, Ohd. u-ahs), u-assen (Ohd. uahsan, Skr. vaksj, Gr. aé&co), wissel vOhd. wehsal, vgl. Lat. vices), zes (Ohd. sehs, Lat. sex). Zoo sprak men in 't Mnl. geregeld van Sassen (Ohd. Sahsón, van sahs , mes, eig. stcenen mes, vgl. Lat. saxum, waaraan zij hunnen naam ontleenden), cn zoo werd zelfs in den tijd, waarin reeds Mnl. geschreven werd, de woordkoppeling machscien (=r het mag d. i. kan geschieden) tot masscien, eindelijk tot misschien.

Bijzonder rijk aan voorbeelden van assimilatie zijn ook do Roroaansche talen, bv. het Italiaansch, waarin iedere tenuis zich aan de volgende tenuis, iedere media zich aan de volgende media assimileerde; vgl. bv. frutfo (Lat. fructus), petto (Lat. pectus), sette (Lat. septem), ineito (Lat, ineptus), esso (Lat. ipsus), cas-a (Lat. capsa), fi<so (Ut, fixus) t tasso (Lat. taxus) freddo (Lat. frigidus), enz,

Sluiten