Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

genomen niag achten uit het Gr. trtpiSyi, het Lat. fungus (zwam) uit het Gr. o-tpóyyog, waarnaast ook a-iroyyia. staat, dat in 't Lat. spongia luidt en door ons als spons is overgenomen.

Daarentegen heeft zich de verbinding s tenuis algemeen gehandhaafd als sp, sf, sk, zoodat ik slechts met eenige aarzeling herinner aan de aangenomen voorstelling der verwantschap van Lat. tego en NI. dekken (uit *thakjan) met Skr. stliagUmi, Gr. oréyu ; van Lat. tundo, Skr. tudümi met NI. stooten; van 't Grieksche en daaruit in het Latijn overgenomen taurus (vgl. On. thjórr, Limburgsch deur) met NI. stier; en van Lat. torpeo en NI. Iedereen (W. therbh) met het NI. sterven , ofschoon bij bijna al die woorden de beteekenis in't oog vallend overeenstemt 1).

Daarentegen is de s vóór liquidae en nasalen zeer dikwijls verdwenen. Geen enkel Latijnsch woord begint met si, sr, sm en sn, en toch zijn er in die taal verscheidene woorden, die blijkens verwante talen eene s verloren hebben. Zoo is lubricus te vergelijken met Got. sliupan (NI. sluipen) en languo met Ohd. slach (= traag). Zoo is *splien ( — milt, Gr. tnr'krrj) eerst *slien, vervolgens Hen geworden en *stlis, *stlocus eerst *slis, *slocus, later lis, locus. Zoo staat mirus voor *sinirus, merda voor *smerda (vgl. Litt. smirdeti, stinken); zoo nare voor *snare (vgl. Skr. snUini, ik baad zwem), nix voor *snix (vgl. Litt. snVgas, NI. sneeuw), nurus voor *snurus (vgl. Ohd. snura, schoondochter) en nutrio (zoogen) voor *snutrio (vgl. Skr.' snduti, vocht afscheiden, snuta, druipend, Eng. NI. snot, Mhd. snuz, Ohd. snüzen, NI. snuiten). Do opvolging sr schijnt in 't Latijn op andere wijze verdwenen. Ook het Germaansch heeft die verloren en wel door het tusschenvoegen van eene t, zooals bij stroom voor *sr<tumo (vgl. Skr. sru, vloeien"- • 't Grieksch heeft vóór de r ook de s verloren, o.a. blijkens péw (vloeien). Ook vóór de / en de n verdween in 't Grieksch de s, maar niet vóór de m.

In 't Latijn is g vóór n aan 't begin der woorden regelmatig verdwenen. Men vergelijke nasci, natus met prognatus, cognatus, nurus met ignarus (en dus ook met het er van afgeleide narrare

i) Ier verklaring van de vormen zonder s kan men zijne toevlucht nemen tot de Sandhi en vermoeden, dut door het voorafgaan in den zin van een met s eindigend woord de begin-s niet meer gehoord werd en zóó verdween; maar daarvoor is dan ook noodig aan te nemen, dat zulk een woord telkens, ja schier regelmatig is voorafgegaan, en liet eischt eene stoute verbeelding, zulk een woord uit te denken.

Sluiten