Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en vorst (koude, ook Ags. forst, maar Ohd. frost). Uitsluitend aan het Angelsaksisch eigen zijn nog iernan voor rinnan (Ohd. rinnan), aern (huis) voor raenn (Grot. razn), haem (golf) voor kraenn (On. lironn), lnjrst (wapenrusting) met het ww. hyrstan voor hrxjst, hrystan (Ohd. rust, NI. rusting, Ohd. rusten, NI. toerusten). Uitsluitend eigen aan onze taal zijn borst (Ohd brust), kerstmis (en Mnl. ook kerst alleen voor Christus), pers, persen (uit Mlt. pressa, pressare), en vóór t ook gort naast grutte (Ohd. gruzzi). Het Middelnederlandsch had naast de oorspronkelijke ook nu nog gebruikelijke vormen bron, gras en ros nog met het het Ags. gemeen borne (Ags. burna, maar Ohd. brunno), gars of gers (Ags. gaers, maar Ohd. gras) en ors (Ags. hors, Eng. horse, maar Ohd. liros, ros) en bovendien het nu verloren verste (uitstel, Ags. first, maar Ohd. frist). Dikwijls vindt men in het Mnl. die metathesis ook vóór t of d, bv. bij storte of sterte naast strot (Mhd. strozze), bij scerde naast schrede (Ohd. scrit), bij ierden naast treden (Ohd. tretari), bij ver de naast vrede (Ohd fridu), terwijl het Lat. crispus, Fr crespe (krullend, kroes) er door metathesis tot kersp werd.

Eeeds zagen wij, dat ook na de r zieh eene vocaal kon ontwikkelen, vooral tusschen r en clit. Kreeg nu die vocaal, die naar 't schijnt denzelfden klank aannam als de oorspronkelijk voor r staande vocaal, den klemtoon, dan kon de oorspr. vocaal uitvallen. andaar in 't Ags. fryhtu (vrees, Eng. fright) en frohtian (vreezen), in 't NI. godsvrucht, Mnl. vruchten, naast het Ohd. foralita, forahten (Got. faurhtei, faurhtjan); in 't later Ags. urohte, gewroht voor ouder ivorhte, geicorht, NI. wrocht, gewrocht, naast Ohd. worahta, giworaht (Got. waurhta, waurhts) en Ags. breht of briht (schitterend, ook als tweede deel van eigennamen als Aeclhelbriht), NI. brecht bij eigennamen als Albrecht, Gijsbrecht, Hubrecht, naast Ohd. beraht ,Got. bairhts). Ook bij opeenvolging van r/t levert onze taal een voorbeeld van zulk eene metathesis in nooddruft, waarvoor het Mnl. nog nooddorfte heeft, zooals Os. nódtliurft, Ohd. notduruft, Got. als adj. naudithaurfts (noodig).

Iets anders dan deze metathesis is de onderlinge plaatsverwisseling van twee medeklinkers, die overigens zeer zeldzaam is. Toen de Basken het waarschijnlijk oorspronkelijk Slavische, maar in vele andere talen overgenomen woord kabeljauw in hunne taal opnamen, maakten zij er bakalldo van met eene bij hen zeer ge-

Sluiten