Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

werd, leert de taalgeschiedenis telkens. Invoeging (epenthesis) van een' medeklinker, of uitlating (elisie) der eerste vocaal, of samentrekking (crasis) der beide vocalen was er het gevolg van. Yan euphonische inlassching levert het Grieksch (doch met uitzondering van het Aeolisch) een bekend voorbeeld in de nu-eplielkustikon, die vooral achter een datief plur. op <ri en den derden pers. enkv. op e of ( gevoegd werd, wanneer het volgend woord met een' klinker aanving, bv. nxtrtv b.Ttiv airs (aan allen zeide hij het) tegenover vxai yy.p b.irz to'jto (aan allen toch zeide hij dit). Als zulk eene welluidendheids-?; is eenigermate ook bij ons te beschouwen de n, die wij bij achteraanplaatsing van het pronomen in de spreektaal dikwijls hooren bij r/aan iJc, staan ik, doen ik, zien ik, en die vroeger ook wel geschreven werd; maar daar aan ik r/aan, staan, doen van oudsher eene n (uit m) als uitgang van den eersten persoon toekomt, kan men hoogstens zeggen dat die n zich bij achteraanplaatsing van 't pronomen welluidendheidshalve gehandhaafd en zich verder ook tot zien uitgestrekt heeft. Bij de n, die zich in onze oudere geschriften gedurende en vooral ook na de middeleeuwen vertoont achter den uitgang de (of te) van het zwakke imperfectum zou men in den eersten pers. enkv. desnoods ook wel aan een ouden persoonsuitgang kunnen denken, als men vasthoudt ') aan de meening, dat die imperfecta zijn samengesteld met den aorist van 't ww. doen, waarvan de eerste persoon in 't Idg. dhêm (Gr. 9t)!/) luidde. De derde persoon enkv., die ook dikwijls die n vertoont, moet dan als analogievorm van den eersten beschouwd worden. In elk geval komt die n vaak voor, waar van hiaat geene sprake kan zijn, en, is die n dus niet organisch, maar eene wezenlijke nu-ephelkustikon, dan is zij toch niet alleen, zelfs niet in de eerste plaats, hiaataanvullend. Iets dergelijks geldt van de n, die ook de eerste nv. mannelijk van het lidwoord en het bijv. nw. heeft aangenomen in de Zuidnederlandsche dialecten en waarvan men ook in onze oudere schrijftaal vrij wat voorbeelden kan vinden. "Wel is die n anorganisch, maar zij is, buiten de quaestie der welluidenheid om — vermoedelijk alleen door verwarring van Acc. en Nom. 'l) — in zwang gekomen, en hoogstens

*) Met Di'. Friedrich Lorentz, Ueber das schwaehe Prüteritum des Germanischen. Leipzig 1894.

J) Dut zij oorspr. dienen moest om liet mannelijk geslacht van het vrouwelijk te onderscheiden (en in Zuid-Nederland schijnt zij inderdaad

Sluiten