Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ook de Semietische talen vermijden den hiaat op dezelfde wijze als de Indogermaansche. Zoo voegt het Arabisch eene w (wau) in, wanneer op eene korte a of w eene korte a, of op eene lange d ot il eene korte vocaal volgt, en eene y (i/a), wanneer eene korte i door eene korte a of eene lange t door eene korte vocaal wordt gevolgd. Eene enkele maal wordt ook de h (ha) ter aanvulling van den hiaat ingevoegd.

Veel algemeener dan epenthesis is ter vermijding van den hiaat de elisie of het weglaten van den eersten der beide klinkers, vooral als die kort en zonder klemtoon is. In het Attisch Grieksch is dat regel, zoodat de woorden, waarvan de slotvocaal nooit geMideerd wordt, te tellen zijn. Het Ionisch Grieksch daarentegen vermijdt den hiaat niet zoo zorgvuldig. Toch is ook daar bij samenstelling van vocaalstammen met woorden, die met een' klinker beginnen, de stamvocaal geëlideerd; vgl. ivT*yuyèg voor l7rirs-«yuytq als één voorbeeld uit honderden. In Latijnsche poëzie (behalve in de oudste) is elisie van iedere, ook lange eindvocaal vóór eene beginvocaal, ook zelfs vóór de aanvangs-A, regel, zelfs van den genasaleerden en als vocaal -f- m geschreven slotklinker, en moet men dus een' hexameter als van Vergilius (Aeneis III 658) :

„Monstrum horrendum, informe, ingens, cui lumen ademtum" lezen, alsof er stond: Mónstr-orrénd-infórm-ingéns, cui lümen adémtum, en een' pentameter van Catullus (Carm. 73 vs. 6):

„Quam modo qui me unuin atque unicum amicum habuit" als: Quam modo qui m-un-atqu-ünic-amic-abuit. Met de hier aangehaalde versregels hebben beide dichters echter hun doel voorbijgeschoten : door te grooten ijver om den onwelluidenden hiaat te vermijden zijn zij tot eene andere soort van cacophonie vervallen.

De Italiaansche dichters elideeren, evenals de Latijnsche, iederen slotklinker vóór een beginklinker, ofschoon het Italiaansch in het midden van de woorden van den hiaat niet volstrekt afkeerig is. De Fransche dichters elideeren alleen de toonlooze e, die zij in proza toch al niet uitspreken, maar de keurigste onder hen schijnen ook de opeenvolging van duidelijke slot- en beginvocalen te vermijden. Tegenover de Hoogduitsche hebben de Nederlandsche dichters, ten minste van de 16de eeuw af, alle toonlooze <?'s vóór beginklinkers geëlideerd, en eerst in onzen tijd schijnen sommige jongere dichters dien hiaat niet meer onwelluidend te vinden. Voor de middeleeuwen is bij ons die elisie wel niet bewezen, om-

Sluiten