Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat de verzen toen, wat afwisseling van lettergrepen met en zonder klemtoon betreft, niet zoo regelmatig gebouwd werden als later, maar waarschijnlijk acht ik toch neiging tot elideeren ook voor dien tijd wèl, daar vormen als bénecht voor leëenicht, hevelt voor beëvelt, geert voor geëert, gelen voor geiten en zelfs met (niet uitgesproken) h, als geel voor geheel, joysaem voor gehorsaem, hagel voor behagel, bendicheit voor behendicheit, boef v oor behoef, enz. erop berusten. In enkele woorden is zulk eene elisie zelfs regel geworden: te huis en te hands werden thuis en thans, gesproken als tuis en tans.- ongehuur en geünnen werden onguur en gunnen, gelen bleef, maar nam een tweede voorvoegsel ge aan; beinnen, beöven, in 't Mnl. ook beachten, beanderside werden binnen, boren, bochten, banderside, en buiten vertoont reeds in verschillende Oudgermaansche talen (Os. Ags. bütan, Ofr. büta) die elisie. Bang voor beang (Ohd. ango, Mnl. anqe naast eng) heeft het Hoogduitsch , schoon eerst in lateren tijd en waarschijnlijk uit liet Xederduitsch overgenomen, met onze taal gemeen.

Van veel ouder dagteekening is de elisie bij het ontkennend partikel ne (ni), in het Gotisch nog maar alleen bij nibai voor ni ihai (dat niet) en nut voor ni ist (is niet), maar in de Westgermaansche talen bij nie, niet, niemand, nieuwers, nimmer, nooit, neen, die reeds in t Os. n o (of nio), niowiht, nioman, nén, in 't Ohd. nio (of nio), niowiht, nioman, niomêr, nein luiden. Bij nergens (Os. nog ne-hwergin, maar ook Mhd. reeds niergen) is na aphaeresis der k de w gesyncopeerd en heeft vervolgens de elisie plaats gehad. A olkomen dezelfde elisie treffen wij ook in 't Latijn aan bij non (= ne oenum), nullus, numquam, nusquam en na syncope van de h bij uil.

Even oud als bij het praefix ne of ni is de elisie bij het praefix fra, in 't Got. frêt, praet. van 't ww. frdilan, dat ook bij ons tot vreten, in 't Ohd. tot frezzen is geworden. Datzelfde fra schijnt ook te schuilen in 't Got. fraisan (ons vreezen , Os. frêson, Ohd. freisón, oorspr. op de proef stellen), dat dan verklaard wordt als ontstaan uit fra -f- aisun. Zoo ziet men ook in ons wrevel, dat voor vrevel staat en in 't Ohd. fravill luidt, een door elisie uit fra-avili ontstanen vorm in verband tot het Ohd. aralón (zich afbeulen) en het Got. adj. abrs (sterk).

In de Homaansche talen is zulk eene elisie ook zeer gewoon; vgl. bv. Ital. coprire (uit Lat. cooperire), dorare (uit Lat.deaurare),

Sluiten