Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

krijgservaring opdeed, terwijl de legers der overige staten, zelfs niet liet Russische sedert den Poolschen opstand, geen noemenswaardige veldtochten meer hadden gedaan, steeg de naam van Frankrijk als militaire mogendheid opnieuw, haast even hoog als in vroeger dagen, en werden zoowel in als buiten Frankrijk de oude herinneringen aan Frankrijks wapenroem weder levendig. Doch tevens de daarvan onafscheidelijke herinnering aan Napoleon en aan Frankrijks suprematie in Europa.

Lodewijk Philips en zijne raadslieden zagen daarin echter geen gevaar; integendeel, zij meenden haar ten eigen bate te kunnen exploiteeren en werkten zelfs mede aan het kweeken der Napoleontische legende, evenals zij, als bewijs van hun liberalisme, de revolutionnaire legende plachten hoog te houden. Niemand deed daaraan ijveriger mede dan de liberale staatsman-geschiedschrijver Thiers, die als leidend minister er trouwens niet tegen opzag in 1840 in de Oostersche quaestie een houding aan te nemen, welke Europa op den rand van den algemeenen oorlog en tal van Duitsche bewonderaars van Frankrijk tot bezinning bracht. Lodewijk Philips deelde echter het zelfvertrouwen van zijn minister niet, en zocht van nu af steun bij de conservatieve liberalen, wier leidsman Guizot, Thiers' mededinger op het gebied der geschiedschrijving zoowel als der staatkunde, voortaan de leiding in handen kreeg. Geheel in overeenstemming met den koning regeerend en zich strikt houdend aan de vormen der parlementaire monarchie, bleef Guizot feitelijk onbeperkt meester. Bij alle bekwaamheid was hij echter niet populair, bijna zou men zeggen niet Franschman genoeg, om Frankrijk te kunnen regeereu in een tijd, waarin daar populariteit een hoofdvoorwaarde was voor elke regeering. De uit de meest uiteenloopende elementen samengestelde oppositie, vooral die buiten het parlement, maakte van alles een grief, 't zij de regeering voor- of tegenspoed had in de buitenlandsche betrekkingen, t zij zij revolutionnaire bewegingen, democratische en socialistisch-democratische zoowel als Bonapartistische, onderdrukte, of maatregelen nam tot verbetering van materieele of moreele toestanden. Niet het minst droeg de toestand van liet nieuwe Afrikaansche bezit daartoe bij.

Hoewel na harden strijd de onderwerping van het eigenlijke Algerië tot stand was gebracht, was er nog geen sprake van, het land als een vreedzame kolonie onder burgerlijk bestuur te brengen en, ten bate van Frankrijk en der kolonisten, die men er met weinig doel-

3

Sluiten