Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

grenzen te houden. \ andaar een volstrekte tegenstrijdigheid: aan de eene zijde de als een onveranderlijke wet erkende vereeniging der hertogdommen, aan de andere de formeele scheiding van den Duitsch en staat Holstein, waar de koning van Denemarken bij erfrecht hertog was, van Sleeswijk. dat door koning en volk in Denemarken als een zuiver Deensche provincie werd beschouwd, welke onrechtmatig verduitscht was. Dat laatste was ook maar met een gedeelte, zij het ook verreweg het grootste, het geval; in het noorden waren gelieele streken zuiver Deensch.

l)e massa der bevolking van de beide hertogdommen, vooral de geheel Duitsche landbezittende adel, beschouwde echter de in 1460 geschapen eenheid als een onverbreeklijk recht, en toen na de Juli-revolutie de koning in ieder hertogdom afzonderlijke landstanden instelde, was zij uiterst ontevreden, zoowel om den geringen invloed die den standen was gelaten, als om het niet vereenigen der beide vergaderingen. Daarentegen eischte de liberale partij, die in Denemarken machtig aangroeide, de volledige scheiding der beide hertogdommen, door Sleeswijk wel, maar Holstein niet te doen vertegenwoordigen in het door haar geëischte Deensche parlement.

Ln nu kwam bij deze quaestie nog de successie. In het zoowel in de hertogdommen als in het koninkrijk regeerende huis stond de mannelijke stam op het uitsterven. En terwijl in Denemarken in dat geval een vrouwelijke tak van dit huis moest opvolgen, gold in Holstein alleen mannelijke erfopvolging en moest dus daar de oudste jongere mannelijke zijlinie, de zoogenaamde linie van Sleeswijk-HolsteinAugustenburg, aan de regeering komen. Daarenboven bestonden er aanspraken van een andere linie, die van Holstein-Gotthorp, welke thans in Oldenburg en Rusland regeerde, terwijl er verder nog een tweede jongere linie van liet regeerende huis, de linie van Gliicksburg, bestond , welker hoofd met een Deensche prinses, dochter van den vorigen koning Frederik \ I, gehuwd was. Volgens de Holsteiners en de Duitschers in Sleeswijk gold datzelfde ook voor dat laatste land, terwijl de Deenen beweerden dat daar de Deensche successie-orde recht had.

Zooals de quaestie nu stond, waren er drie partijen. De koning, die Holstein zoo goed als Sleeswijk als zijn erfgoed en als een deel van zijn rijk beschouwde, en het Deensche recht, de vrouwelijke successie, op beide wilde toegepast hebben; de Deensche liberalen, die Holstein wilden opgeven, maar Sleeswijk met Denemarken veree-

Sluiten